Uitspraak 202203810/1/R3


Volledige tekst

202203810/1/R3.
Datum uitspraak: 15 november 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2022 in zaak nr. 20/4867 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan de gemeente Den Haag voor het kappen van 49 populieren.

Bij besluit van 11 juni 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 mei 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 mei 2023, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. Buijs, zijn verschenen. Tijdens de zitting heeft [appellant] verzocht om wraking van staatsraad mr. D.A. Verburg, als lid van de Afdeling belast met de behandeling van de zaak. Vervolgens is het onderzoek op de zitting geschorst.

Het wrakingsverzoek is door een kamer, bestaande uit drie andere leden van de Afdeling, bij uitspraak van 9 juni 2023 afgewezen.

De Afdeling heeft de behandeling van de zaak voortgezet op een zitting op 28 augustus 2023, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. Buijs, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 49 populieren in stadsdeel Escamp (wijk Moerwijk) in Den Haag. Deze omgevingsvergunning maakt deel uit van de gemeentelijke projectmatige aanpak onveilige populieren. Aan het besluit van 23 juli 2019 ligt ten grondslag dat de te kappen bomen van matige tot slechte kwaliteit zijn. De bomen zijn door afbrekende takken onveilig voor hun omgeving. Omdat de bomen niet op duurzame wijze behouden kunnen blijven, is de kap van de bomen volgens het college noodzakelijk. Het college heeft verder aan de vergunning twee voorschriften verbonden. Er mag niet gekapt worden tijdens het broedseizoen en er geldt een herplantplicht van 49 bomen, te planten in het eerstvolgende plantseizoen.

Rechtbankuitspraak

2.       De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het procesbelang bij een kapvergunning vervalt als de bomen zijn gekapt. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de gronden die [appellant] over de herplantplicht heeft aangevoerd niet gaan over de omgevingsvergunning, maar over de uitvoering daarvan. De wijze waarop de herplant wordt uitgevoerd, is volgens de rechtbank een handhavingskwestie. [appellant] heeft daarom geen belang bij een oordeel van de rechtbank over de door hem aangevoerde beroepsgronden. In het licht van het voorgaande heeft de rechtbank overwogen dat zij niet toekomt aan de vraag of het besluit gelet op de hoorplicht zorgvuldig is voorbereid.

Het hoger beroep

Ontvankelijkheid bij de rechtbank

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hem heeft hij wel belang bij een beoordeling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd tegen het besluit van 11 juni 2020.

3.1.    De Afdeling zal hierna per beroepsgrond ingaan op de vraag of de rechtbank het beroep op dat punt terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Biomassa

3.2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn beroep, omdat de bomen al zijn gekapt. Volgens hem is het kappen van de bomen namelijk zeer waarschijnlijk ingegeven door de vraag naar biomassa als brandstof voor elektriciteitsopwekking. Om deze reden had in de omgevingsvergunning een voorschrift moeten worden opgenomen waarin staat dat het hout niet als biomassa mag worden gebruikt.

3.2.1. De Afdeling overweegt dat het betoog van [appellant] wel het besluit raakt, maar niet gaat over het kappen van de bomen als zodanig. Als het betoog zou slagen, moet aan de omgevingsvergunning een voorschrift worden verbonden dat het hout van de gekapte bomen niet als biomassa mag worden gebruikt. De rechtbank heeft door te overwegen dat de bomen al zijn gekapt, en dat daarom belang bij een uitspraak op het beroep ontbreekt, ten onrechte niet onderkend dat [appellant] nog belang heeft bij een oordeel over de vraag of het college ten onrechte geen voorschrift over het gebruik van het hout van de gekapte bomen heeft opgenomen.

Het betoog slaagt.

Herplantplicht

3.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn betoog gaat over de handhaving van de omgevingsvergunning. Hij voert aan dat in de omgevingsvergunning een voorschrift had moeten worden opgenomen waarin staat dat de herplant uitsluitend met aanplant geschiedt die te zijner tijd dezelfde omvang krijgt als de gekapte exemplaren. De aanplant die de gemeente nu heeft gedaan bestaat voor een groot deel uit gewassen die nooit zullen uitgroeien tot volwaardige bomen, maar altijd de omvang blijven houden van struiken.

3.3.1. De Afdeling overweegt dat het betoog van [appellant] niet gaat over de feitelijke uitvoering van de herplant, maar over de inhoud van de herplantplicht als zodanig. De rechtbank heeft daarom naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte overwogen dat het betoog van [appellant] gaat over de handhaving van de omgevingsvergunning en dat hij geen belang heeft bij een oordeel van de rechtbank.

Het betoog slaagt.

Hoorplicht

3.4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de hoorplicht.

3.4.1.De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de beroepsgrond over de schending van de hoorplicht onbesproken kan blijven, omdat [appellant] geen belang meer heeft bij een beoordeling van de andere beroepsgronden. Uit het voorgaande volgt dat [appellant] in beroep nog wel belang had bij een beoordeling van die gronden. [appellant] had daarom in beroep ook nog belang bij een beoordeling van zijn beroepsgrond dat de hoorplicht in bezwaar was geschonden.

Het betoog slaagt.

Conclusie over ontvankelijkheid bij de rechtbank

3.5.    De conclusie is dat de rechtbank het beroep van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie op het hoger beroep

4.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant] bij de rechtbank

5.       De Afdeling ziet geen aanleiding om de zaak naar de rechtbank terug te wijzen. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 11 juni 2020 beoordelen aan de hand van wat [appellant] daartegen bij de rechtbank heeft aangevoerd. Aan een bespreking daarvan is de rechtbank, zoals overwogen onder 4.4 van de aangevallen uitspraak, niet toegekomen.

Hoorplicht

6.       De Afdeling zal hierna daarom eerst ingaan op de vraag of de hoorplicht in bezwaar is geschonden. In artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Het college heeft [appellant] in dit geval niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord op zijn bezwaar. Volgens het college kunnen de bezwaren van [appellant] namelijk niet leiden tot een andersluidend besluit. In het bezwaarschrift heeft [appellant] onder meer aangevoerd dat aan de vergunning een voorschrift moet worden verbonden over het op een duurzame wijze verwerken van het hout.

De Afdeling stelt vast dat artikel 2:88, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 1:4, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag, zoals die luidde op het moment dat de besluiten werden genomen, ruimte biedt om voorschriften aan de vergunning te verbinden die gaan over het op een duurzame wijze verwerken van het hout. Het college heeft dit op de zitting bevestigd en stelt zich daardoor in zoverre op een ander standpunt dan in het besluit van 11 juni 2020. Er kan dus niet worden gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De hoorplicht in bezwaar is dus geschonden.

Het betoog slaagt.

Conclusie op het beroep

7.       Omdat de hoorplicht in bezwaar is geschonden, verklaart de Afdeling het beroep van [appellant] gegrond. Het besluit van 11 juni 2020 dient te worden vernietigd vanwege schending van artikel 7:2 van de Awb. De Afdeling zal hierna bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe zal de Afdeling ingaan op de door [appellant] ingediende bezwaren tegen het besluit van 23 juli 2019, waarbij de omgevingsvergunning is verleend.

Rechtsgevolgen in stand laten?

8.       Allereerst gaat de Afdeling in op het bezwaar over het ontbreken van een voorschrift over het op een duurzame wijze verwerken van het hout. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de bomen zijn gekapt in het kader van de projectmatige aanpak onveilige populieren. De aanleiding voor het kappen van de bomen was niet, zoals [appellant] heeft gesteld, het kunnen gebruiken van het vrijkomende hout als biomassa, maar de veiligheid vanwege de toestand van de bomen. Het college heeft op zitting toegelicht dat het daarom in de aanleiding voor het kappen geen reden ziet om een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden over de duurzame verwerking van het hout. De Afdeling is van oordeel dat het college dat zo heeft mogen doen.

Verder heeft [appellant] een bezwaar over de omvang van de herplantplicht. Naar zijn oordeel had aan de omgevingsvergunning een voorschrift moeten worden verbonden waarin staat dat de herplant uitsluitend met aanplant geschiedt die te zijner tijd dezelfde omvang krijgt als de gekapte exemplaren. In het besluit van 23 juli 2019 is bepaald dat de herplant moet voldoen aan een omvang van de 1e en 2e grootte met een minimale stamomtrek van 18-20 cm. Een omvang van de 1e grootte zijn bomen die hoger kunnen worden dan 12 m en een omvang van de 2e grootte zijn bomen die tussen de 7 en 12 m hoog worden. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het terugplaatsen van populieren, gelet op de levensduur daarvan, niet wenselijk is en dat de bomen die worden herplant weliswaar niet zo hoog worden als de gekapte populieren, maar dat deze bomen voldoende omvang hebben om deze populieren te vervangen. Het college heeft daarom mogen afzien van een voorschrift met daarin de door [appellant] gewenste omvang van de bomen.

9.       De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 11 juni 2020 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Gelet op wat de Afdeling hierboven heeft overwogen, kan wat [appellant] in bezwaar heeft aangevoerd, namelijk niet leiden tot het gegrond verklaren van zijn bezwaar. [appellant] heeft daarnaast in hoger beroep de gelegenheid gehad zijn bezwaar nader toe te lichten.

Proceskosten

10.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2022 in zaak nr. 20/4867;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag van 11 juni 2020, kenmerk B.2.20.1962.001;

V.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

VI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 50,00;

VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Lap
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023

288-1029