Uitspraak 202206883/1/V6


Volledige tekst

202206883/1/V6.
Datum uitspraak: 15 november 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 20 oktober 2022 in zaak nr. 22/2000 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 23 februari 2022 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris en [appellant] hebben op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 oktober 2023, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. El-Sharkawi, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. Laros, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), omdat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde. De reden hiervoor is dat [appellant] bij uitspraak van 3 augustus 2021 strafrechtelijk is veroordeeld tot 60 uur taakstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis. Volgens de staatssecretaris doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die maken dat hij toch het Nederlanderschap had moeten verlenen.

2.       [appellant] betoogt echter terecht dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3296. Aan [appellant] is, zoals gezegd, een taakstraf van 60 uur opgelegd. De Afdeling heeft onder 5.2 en 5.3 van de uitspraak van 30 augustus 2023 geoordeeld dat het beleid in de Handleiding RWN voor artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN onvoldoende onderscheid maakt naar de zwaarte van de sanctie in het geval een taakstraf is opgelegd. Het beleid staat op dit punt niet in een evenredige verhouding tot de ermee te dienen doelen. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat het beleid in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris ten onrechte het beleid aan het besluit van 23 februari 2022 ten grondslag gelegd.

Het betoog slaagt.

3.       Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat [appellant] verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 23 februari 2022 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 20 oktober 2022 in zaak nr. 22/2000;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 23 februari 2022, kenmerk Z1-157248597145;

V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.766,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.      gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Overeem
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023

899-1061