Uitspraak 202203400/1/A3


Volledige tekst

202203400/1/A3.
Datum uitspraak: 15 november 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Weesp, gemeente Amsterdam,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 28 april 2022 in zaak nr. 21/5097 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weesp (nu Amsterdam).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2021 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tweede parkeervergunning voor bewoners afgewezen.

Bij besluit van 24 november 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 november 2021 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2023, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. D.F. Rosenbaum, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De van belang zijnde bepaling uit de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Weesp houdende regels omtrent parkeren (Parkeerverordening Weesp 2021) is opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak


Inleiding

2.       Als gevolg van een nieuwe parkeervisie van de gemeente, neergelegd in de Nota Parkeermaatregelen Weesp, is de Parkeerverordening Weesp 2021 ingevoerd. Daarin is onder meer neergelegd dat het college in de wijk van [appellant] een tweede bewonersvergunning kan verlenen indien de bewoner op 30 juni 2020 houder was van ten minste twee motorvoertuigen. Omdat [appellant] op die datum nog geen tweede auto had, heeft het college zijn aanvraag om een tweede parkeervergunning afgewezen. Het gevolg hiervan is dat [appellant] op maandag tot en met vrijdag van 10:00 tot 20:00 uur en op zaterdag van 10:00 tot 17:00 uur betaald moet parkeren voor zijn tweede auto, die hij in september 2020 heeft aangeschaft.

Wat vond de rechtbank?

3.       De rechtbank heeft na een zogeheten exceptieve toetsing geconcludeerd dat het college de bepalingen uit de Parkeerverordening aan het besluit ten grondslag mocht leggen en op grond daarvan terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarden voor een tweede parkeervergunning voor bewoners. Ook heeft zij overwogen dat het college weliswaar beter kon motiveren waarom geen aanleiding bestaat de hardheidsclausule toe te passen, maar dat het college uiteindelijk wel terecht heeft geconcludeerd dat in het geval van [appellant] geen reden bestaat af te wijken van de voorwaarden uit de Parkeerverordening.

Argumenten van [appellant] in hoger beroep

4.       [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank in het kader van de exceptieve toetsing dat er voldoende participatiemogelijkheden of inspraak was bij het opstellen van de parkeervisie. In de onderliggende stukken staat niets over de tweede parkeervergunning voor huidige bewoners. Ook betoogt hij dat het oordeel van de rechtbank over de hardheidsclausule niet juist is. Volgens hem geeft de rechtbank zelf een oordeel over de hardheidsclausule, zonder een standpunt van het college. Daarbij werpt zij voor het eerst tegen dat [appellant] geen medische onderbouwing heeft overgelegd van de noodzaak van een auto voor zijn echtgenote. Hij licht verder toe dat het in de periode tussen 2015 en 2020 beter ging met de medische problemen van zijn echtgenote en dat zij daarom destijds geen tweede auto nodig hadden. In september 2020 hebben zij weer besloten een tweede auto te nemen, omdat zijn echtgenote vooral in de winter last heeft van astma. Dit was slechts drie maanden na het verstrijken van de termijn van de (korte) overgangsperiode waarbinnen nog wél een tweede parkeervergunning kon worden verkregen. Verder brengt [appellant] naar voren dat veel parkeervlakken in zijn straat leeg staan, waardoor een strenge toepassing van de hardheidsclausule niet nodig is. Ook duidt dit erop dat het invoeren van betaald parkeren in zijn straat een foute politieke keuze was. Tot slot wijst [appellant] erop dat bij de evaluatie niet wordt gereageerd op zijn zienswijze over tweede parkeervergunningen, dat er nog steeds problemen zijn met handhaving en dat ook een nieuwe aanvraag om een tweede parkeervergunning is afgewezen.

Beoordeling hoger beroep

4.1.    De rechtbank heeft al terecht overwogen dat de door [appellant] genoemde problemen met de gemeente rondom de handhaving en bij de evaluatie van de parkeervisie los staan van het besluit waar het in deze procedure over gaat. Die problemen kunnen in deze zaak dus niet aan de orde worden gesteld. Ditzelfde geldt voor de nieuwe aanvraag van [appellant] om een tweede parkeervergunning en de uitleg die hij inmiddels heeft gekregen over de toepassing van de hardheidsclausule in de gemeente Amsterdam. [appellant] kan desgewenst afzonderlijk procederen over de besluitvorming naar aanleiding van die tweede aanvraag of eventuele toekomstige aanvragen. De Afdeling zal wel ingaan op de argumenten van [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank over de exceptieve toetsing en de hardheidsclausule.

4.2.    Zoals de rechtbank in het kader van de exceptieve toetsing terecht heeft overwogen, blijkt uit de Nota dat de gemeente de parkeersituatie in Weesp uitgebreid heeft onderzocht. Daarbij is ook de parkeerdruk in verschillende wijken in aanmerking genomen. Dat de eigen ervaring van [appellant] is dat er veel parkeerplekken leeg zijn, maakt niet dat dit onderzoek niet deugdelijk heet plaatsgevonden. Daarbij komt dat, zoals de rechtbank ook heeft betrokken, het betaald parkeren en het stelsel waarbij in beginsel maar één parkeervergunning per huishouden wordt verstrekt, een politieke keuze betreft die bovendien niet alleen is gebaseerd op de parkeerdruk, maar ook op het verkrijgen en behouden van een vitale en leefbare stad. Dat in de ervaring van [appellant] in zijn straat veel parkeerplekken onbezet zijn, is dan ook onvoldoende om, exceptief toetsend, te concluderen dat het college de Parkeerverordening in dit geval buiten toepassing had moeten laten. Ditzelfde geldt voor het betoog van [appellant] dat er onvoldoende participatie of inspraakmogelijkheden waren. Zoals de rechtbank al terecht heeft overwogen, blijkt uit de Nota juist dat er een aantal inspraakmogelijkheden is geweest. Dat [appellant] het gevoel heeft dat zijn input is genegeerd, is onvoldoende om te concluderen dat sprake was van een onzorgvuldige totstandkoming van de Nota of de Parkeerverordening.

4.3.    Over de hardheidsclausule heeft [appellant] allereerst naar voren gebracht dat de rechtbank zelf een oordeel heeft gegeven over de hardheidsclausule, zonder dat daaraan een standpunt van het college ten grondslag ligt. Ook zou de rechtbank hem in dat verband voor het eerst duidelijk hebben gemaakt dat medische onderbouwing nodig is van de klachten van zijn echtgenote.

4.3.1. Hoewel de rechtbank haar oordeel over de hardheidsclausule duidelijker had kunnen motiveren, heeft zij naar het oordeel van de Afdeling geen eigen oordeel gegeven. De rechtbank heeft het besluit vernietigd omdat het college niet kenbaar heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat de hardheidsclausule toe te passen. Zij heeft vervolgens onderzocht of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

4.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is voor het in stand laten van de rechtsgevolgen niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. In een geval als dit, waarin een besluit wegens het ontbreken van een kenbare belangenafweging is vernietigd, kan er, mede gelet op de beleidsruimte waarover het bestuursorgaan beschikt, uit een oogpunt van proceseconomie aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, de vereiste belangenafweging alsnog heeft gemaakt en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Beslissend daarbij is of de inhoud van het vernietigde besluit na de alsnog kenbaar gemaakte belangenafweging de rechterlijke toets kan doorstaan. Vergelijk de uitspraak van 18 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK3612, onder 2.4.1.

4.3.3. In dit geval heeft het college ter zitting bij de rechtbank duidelijk gemaakt dat zij vasthoudt aan het besluit en ook nader gemotiveerd waarom zij geen aanleiding ziet de hardheidsclausule toe te passen. [appellant] heeft daar toen ook op kunnen reageren en heeft bepleit waarom zijns inziens toch aanleiding bestaat de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank heeft deze nadere motivering en de reactie daarop van [appellant] vervolgens getoetst. Dat sprake is van een eigen oordeel, zonder standpunt van het college, volgt de Afdeling dan ook niet. Daarnaast heeft de rechtbank weliswaar overwogen dat het college voor een deel een te beperkte invulling geeft aan de hardheidsclausule door alleen voor terminaal zieke inwoners een uitzondering te maken, maar uit de zittingsaantekeningen blijkt dat het college daarnaast óók heeft opgemerkt dat personen die erop wijzen dat zij een tweede auto nodig hebben voor werk of een ziekte zich niet onderscheiden van anderen. De rechtbank is het college in dit standpunt gevolgd en heeft slechts als voorbeeld overwogen dat [appellant] met medische stukken had kunnen onderbouwen dat zijn echtgenote door haar gezondheidstoestand een tweede auto nodig heeft voor haar werk, om zo duidelijk te maken dat zijn situatie zich wel echt onderscheidt van anderen. Dit temeer nu zij van 2015 tot 2020 geen tweede auto (nodig) had. Dit betreft daarmee evenmin een eigen oordeel. Nu de rechtbank voorts heeft geconcludeerd dat het college heeft mogen weigeren de hardheidsclausule toe te passen, is voldaan aan de voorwaarden om de rechtsgevolgen in stand te laten

4.3.4. De rechtbank heeft voorts terecht de rechtsgevolgen in stand gelaten. Dat [appellant], zoals hij naar voren brengt, niet onder de overgangsregeling valt, omdat hij drie maanden na de peildatum een tweede auto heeft aangeschaft, heeft het college onvoldoende kunnen achten om een beroep op de hardheidsclausule in te willigen. Die peildatum is juist vastgesteld om te voorkomen dat inwoners in het licht van de overgangsregeling nog snel een tweede auto kopen, ook omdat het met het oog op een vitale en leefbare stad uiteindelijk de bedoeling is dat elke inwoner nog maar één parkeervergunning heeft. Dat in de straat van [appellant] veel parkeerplekken onbezet zijn heeft voor het college evenmin aanleiding hoeven vormen om alsnog toepassing te geven aan de hardheidsclausule, reeds omdat dit een algemene omstandigheid betreft die niet op de persoonlijke situatie van [appellant] zelf ziet. Zoals de rechtbank tot slot terecht heeft overwogen, heeft [appellant] niet onderbouwd dat zijn echtgenote vanwege haar gezondheidstoestand een tweede auto nodig heeft voor haar werk. Ook in hoger beroep heeft [appellant] de door de rechtbank bedoelde onderbouwing niet gegeven en niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van de Parkeerverordening wegens de gezondheidstoestand van zijn echtgenote tot een bijzondere hardheid leidt. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat wat [appellant] heeft aangevoerd niet zwaarwegend genoeg is om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

Conclusie

4.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Sluis
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023

802

BIJLAGE

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Weesp houdende regels omtrent parkeren (Parkeerverordening Weesp 2021)

Artikel 28 Hardheidsclausule

Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.