Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302106/1

Uitspraak 200302106/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AI0590
Datum uitspraak
30 juli 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 november 2001 heeft de Korpschef van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond appellant meegedeeld dat hem geen verlof wordt verleend tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
  • Hoger beroep
  • Wapens en munitie

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302106/1.
Datum uitspraak: 30 juli 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 6 maart 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2001 heeft de Korpschef van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond appellant meegedeeld dat hem geen verlof wordt verleend tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Bij besluit van 8 april 2002 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) het daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2003, verzonden op 7 maart 2003, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 juni 2003 heeft de minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2003, waar appellant in persoon en de minister, vertegenwoordigd door mr. N. Romijn, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en herhaalt in hoger beroep zijn betoog dat hij een vuurwapen nodig heeft om zichzelf en zijn bezittingen te beschermen. Dit betoog treft geen doel.

2.2. De minister heeft, bij zijn beslissing op het administratief beroep, onder verwijzing naar artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet wapens en munitie (hierna: de WWM) en onderdeel B/4.2.11 van de Circulaire wapens en munitie (hierna: de Circulaire) overwogen dat zelfverdediging slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen rechtvaardigt. Een gevoel van onveiligheid en de wens zichzelf en zijn bezittingen tegen criminaliteit te beschermen, zoals door appellant gesteld, kan volgens de minister niet worden aangemerkt als een zeer uitzonderlijke omstandigheid, als hiervoor bedoeld. De minister heeft daar, onder verwijzing naar artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de WWM in samenhang met onderdeel B/4.3 van de Circulaire, nog aan toegevoegd dat gezien de uit de gedingstukken blijkende psychische gesteldheid van appellant het niet verantwoord is om hem een wapen toe te vertrouwen. De minister heeft aldus, naar het oordeel van de Afdeling, geen onjuiste toepassing gegeven aan artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWM. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat de minister het verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie aan appellant ten onrechte heeft geweigerd. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

367.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon