Uitspraak 202202776/1/V3, 202203031/1/V3 en 202205428/1/V3


Volledige tekst

202202776/1/V3, 202203031/1/V3 en 202205428/1/V3.
Datum uitspraak: 30 augustus 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Verwijzingsuitspraak in het kader van de hoger beroepen van:

1.       de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2.       [vreemdeling sub 2A] en [vreemdeling sub 2B] (hierna: de vreemdelingen S&A),
3.       [vreemdeling sub 3A] en [vreemdeling sub 3B], mede voor hun minderjarige kinderen, en [vreemdeling sub 3C] (hierna: de vreemdelingen AA&A),
appellanten,

tegen de hieronder genoemde uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaatsen Arnhem, ’s-Hertogenbosch en Zwolle, in de gedingen tussen:

Naam vreemdelingen          Datum uitspraak      Zaaknummers
Vreemdelingen S&A           11 april 2022            NL21.5456 en NL21.5458
Vreemdelingen AA&A         5 april 2022            NL21.11598, NL21.11605
en NL21.11608

[de vreemdeling]                6 september 2022   NL22.13381
(hierna: de vreemdeling M)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Zaak nr. 202202776/1/V3 (de vreemdelingen S&A)

Bij besluiten van 12 maart 2021 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, aanvragen van de vreemdelingen S&A om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 11 april 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten in zoverre vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Zaak nr. 202203031/1/V3 (de vreemdelingen AA&A)

Bij besluiten van 30 juni 2021 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen AA&A om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 5 april 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat te Zwolle, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

Bij besluiten van 19 april 2023 heeft de staatssecretaris de asielaanvragen van de vreemdelingen AA&A opnieuw afgewezen.

Zaak nr. 202205428/1/V3 (de vreemdeling M)

Bij besluit van 5 juli 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van vreemdeling M om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 6 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Stap, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

In alle drie de zaken

De Afdeling heeft deze zaken ter zitting behandeld op 30 maart 2023, waar de vreemdelingen S&A, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat te Groningen, de vreemdelingen AA&A, bijgestaan door mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat te Zwolle, de vreemdeling M, vertegenwoordigd door mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser, zijn verschenen.

De Afdeling heeft partijen meegedeeld dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is heropend. Daarbij is meegedeeld dat de Afdeling voornemens is het Hof van Justitie te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in deze zaken voor te leggen vragen. Aan partijen zijn de vragen in concept voorgelegd.

De vreemdelingen S&A, de vreemdelingen AA&A, vreemdeling M en de staatssecretaris hebben op deze conceptvragen gereageerd.

Overwegingen

Inleiding

1.       Deze drie zaken gaan over vreemdelingen (uit verschillende derde landen) die eerst in Griekenland een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Zij zijn door de Griekse autoriteiten erkend als vluchteling en hebben de vluchtelingenstatus verkregen (artikel 2, aanhef en onder e, van richtlijn 2011/95/EU (hierna: de Kwalificatierichtlijn)). Hierna zijn zij naar Nederland gereisd. In Nederland hebben zij opnieuw een verzoek om internationale bescherming ingediend. Nederland gaat ervan uit dat sommige personen uit derde landen, die in Griekenland internationale bescherming genieten, niet kunnen terugkeren naar die lidstaat, omdat de levensomstandigheden in die lidstaat hen zouden blootstellen aan een ernstig risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU Handvest). Dat geldt ook voor deze vreemdelingen. De staatssecretaris heeft daarom geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 33, eerste en tweede lid, van richtlijn 2013/32/EU (hierna: de Procedurerichtlijn) hem biedt om hun verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, en - met inachtneming van de Procedurerichtlijn - zelf opnieuw inhoudelijk onderzocht of deze vreemdelingen in aanmerking komen voor internationale bescherming (overeenkomstig de Kwalificatierichtlijn). In deze zaken staat de vraag centraal of deze handelwijze juist is, en zo ja of - en op welke wijze - de erkenning van de vluchtelingenstatus door Griekenland van invloed is op dit onderzoek.

1.1.    Deze verwijzingsuitspraak gaat allereerst over de vraag of een lidstaat bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming gebonden is aan de toekenning van de vluchtelingenstatus door een andere lidstaat, in die zin dat deze toekenning ertoe leidt dat de onderzoekende lidstaat de verzoeker zonder meer een verblijfsvergunning als vluchteling moet toekennen. Als het antwoord op die vraag ontkennend luidt, dan wordt aangenomen dat de onderzoekende lidstaat zelf aan de hand van artikel 10, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn moet onderzoeken of de verzoeker om internationale bescherming (nog steeds) als vluchteling kan worden aangemerkt. Is de erkenning van de vluchtelingenstatus door de andere lidstaat dan van invloed op dit onderzoek? Daarbij rijst de vraag of de samenwerkingsplicht, welke is neergelegd in artikel 4, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn, ertoe leidt dat de onderzoekende lidstaat met de verzoeker moet samenwerken om informatie te verzamelen over het door de statusverlenende lidstaat verrichte onderzoek naar zijn asielmotieven. Tot slot gaat deze verwijzingsuitspraak over de vraag of de onderzoekende lidstaat de door de andere lidstaat toegekende vluchtelingenstatus expliciet moet intrekken, beëindigen of niet-verlengen (artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn) als geconstateerd wordt dat de verzoeker niet of niet langer kan worden aangemerkt als een vluchteling volgens de criteria van artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn.

1.2.    In de overwegingen hierna zal de Afdeling eerst ingaan op een prejudiciële verwijzingsuitspraak van het Duitse Bundesverwaltungsgericht. Deze zaak is nu aanhangig bij het Hof en de eerste vraag die in deze prejudiciële verwijzingsuitspraak wordt gesteld komt volledig overeen met de door de Duitse rechter gestelde vraag. Daarna worden kort de relevante feiten van de zaken weergegeven en volgt een beschrijving van de geschillen in hoger beroep. Dan volgt een overzicht van de toepasselijke wet- en regelgeving. Tot slot volgen de redenen om tot prejudiciële verwijzing over te gaan.

Verwijzingsuitspraken in zaken C-753/22 en C-288/23

2.       Het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) heeft op 7 september 2022 een prejudiciële vraag gesteld over de uitleg van artikel 3, eerste lid, tweede volzin, van Verordening nr. 604/2013 (de Dublinverordening), artikel 4, eerste lid, tweede volzin, en artikel 13 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 10, tweede en derde lid, en artikel 33, eerste en tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn (ingediend bij het Hof op 12 december 2022 en ingeschreven onder zaak C-753/22). De volgende vraag is voorgelegd aan het Hof (PB 2023 C 104/14):

Moeten, in een geval dat een lidstaat geen gebruik mag maken van de door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming met het oog op de toekenning van de vluchtelingenstatus in een andere lidstaat niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de levensomstandigheden in die lidstaat de verzoeker zouden blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest, artikel 3, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 604/2013, artikel 4, lid 1, tweede volzin, en artikel 13 van richtlijn 2011/95/EU alsook artikel 10, leden 2 en 3, artikel 33, lid 1 en lid 2, onder a) van richtlijn 2013/32/EU aldus worden uitgelegd dat het feit dat de vluchtelingenstatus reeds is toegekend de lidstaat belet om het bij hem ingediende verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen zonder dat de uitkomst reeds op voorhand vaststaat, en hem ertoe verplicht om de verzoeker de vluchtelingenstatus toe te kennen zonder de materiële voorwaarden voor deze bescherming te onderzoeken?

Op 2 mei 2023 heeft het Verwaltungsgericht Stuttgart (Duitsland) onder meer dezelfde prejudiciële vraag aan het Hof voorgelegd. Deze is ingediend op 3 mei 2023 en ingeschreven onder zaak C-288/23 (PB 2023 C 261/14).

2.1.    De Duitse rechters vragen, net als de Afdeling in deze verwijzingsuitspraak, om uitleg over de mate waarin een lidstaat gebonden is aan de door een andere lidstaat van de Europese Unie toegekende vluchtelingenstatus. De Afdeling ziet zich, net als de Duitse rechters, voor de vraag gesteld op welke wijze deze vluchtelingenstatus doorwerkt in de eigen (nationale) procedure en wijst erop dat het antwoord daarop ook voor de nu voorliggende zaken noodzakelijk is om een uitspraak te kunnen doen. De Afdeling stelt, in aanvulling op de prejudiciële vraag van de Duitse rechters, ook vragen over het toe te passen beoordelingskader indien een lidstaat niet gebonden is aan de door een andere lidstaat verleende status, de toepassing van de samenwerkingsplicht (artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn) en over het intrekken, beëindigen of niet-verlengen van een door een andere lidstaat verleende status (artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn).

2.2.    Gelet op wat onder 2.1 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding de hierna volgende prejudiciële vragen te stellen. De Afdeling zal eerst een uiteenzetting geven van de zaken die ten grondslag liggen aan deze prejudiciële verwijzingsuitspraak en een beschrijving geven van de geschillen in hoger beroep.

De feiten

Achtergrond

3.       In de drie zaken waarover deze verwijzingsuitspraak gaat, betreft het vreemdelingen uit Libanon, Irak en Somalië die door Griekenland zijn erkend als vluchteling. Na ontvangst van hun Griekse verblijfsvergunning zijn deze vreemdelingen vrijwel direct doorgereisd naar Nederland. In Nederland hebben zij opnieuw om internationale bescherming verzocht.

3.1.    De betrokken partijen zijn het erover eens dat van deze vreemdelingen niet verwacht mag worden dat zij terugkeren naar Griekenland, omdat in hun geval ten aanzien van dat land niet van het beginsel van wederzijds vertrouwen (hierna: het interstatelijk vertrouwensbeginsel) kan worden uitgegaan. Er kan namelijk niet worden uitgesloten dat de levensomstandigheden in Griekenland voor deze specifieke vreemdelingen in strijd zijn met artikel 4 van het EU Handvest; vergelijk de uitspraken van het Hof van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219, punt 92 en Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punten 85-90).

3.2.    De staatssecretaris heeft de asielaanvragen van deze vreemdelingen daarom niet niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000; dit is een implementatie van artikel 33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn). Hij heeft deze asielaanvragen inhoudelijk beoordeeld volgens de in de Procedurerichtlijn en de Kwalificatierichtlijn neergelegde waarborgen. In alle drie de zaken heeft hij zich op het standpunt gesteld dat deze vreemdelingen niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling en dat zij ook niet in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming. Hij heeft hun aanvragen dus afgewezen als ongegrond (artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000). De vreemdelingen moeten volgens de staatssecretaris dan ook terugkeren naar hun land van herkomst.

3.3.    Drie zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag (Arnhem, ’s-Hertogenbosch en Zwolle) hebben in afzonderlijke uitspraken de besluiten van de staatssecretaris vernietigd. Daarbij zijn de zittingsplaatsen niet ingegaan op de specifieke redenen waarom de aanvragen zijn afgewezen als ongegrond. Zij hebben de uitspraken toegespitst op de door de Griekse autoriteiten verleende vluchtelingenstatus.

3.3.1. In de zaak van de vreemdelingen S&A heeft de zittingsplaats Arnhem geoordeeld dat de staatssecretaris de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet hoeft over te nemen en dat hij de asielaanvragen van de vreemdelingen S&A terecht inhoudelijk (opnieuw) heeft beoordeeld. De staatssecretaris heeft daarbij volgens deze zittingsplaats echter onvoldoende rekening gehouden met de samenwerkingsplicht (artikel 4, eerste en tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn); hij had volgens de zittingsplaats actief met de vreemdelingen S&A moeten samenwerken om informatie te vergaren over hun Griekse asieldossier of hij had zelf navraag moeten doen bij de Griekse autoriteiten.

3.3.2. In de zaak van de vreemdelingen AA&A is de zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch tot een ander oordeel gekomen. Volgens deze zittingsplaats is de erkenning van de vluchtelingenstatus declaratoir van aard en blijft deze bestaan totdat een lidstaat overgaat tot het intrekken, beëindigen of niet-verlengen daarvan. De staatssecretaris had deze status volgens de zittingsplaats dan ook moeten overnemen of deze expliciet moeten intrekken, beëindigen of niet-verlengen. Daarbij merkt de zittingsplaats op dat uit het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (hierna: het GEAS) niet duidelijk wordt of het een lidstaat wel is toegestaan om een door een andere lidstaat verleende vluchtelingenstatus in te trekken. Volgens de zittingsplaats is er echter geen Verdragsrechtelijke, Unierechtelijke of nationaalrechtelijke juridische grondslag om de staatssecretaris te verplichten in overleg te treden met de Griekse autoriteiten.

3.3.3. Tot slot heeft de zittingsplaats Zwolle in de zaak van de vreemdeling M ambtshalve de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus bij haar oordeel betrokken. De zittingsplaats heeft vervolgens overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij enerzijds op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat van de in Griekenland geregistreerde geboortedatum van de vreemdeling maar waarom hij anderzijds op grond van datzelfde beginsel geen belang hecht aan de door Griekenland toegekende vluchtelingenstatus.

De procedures in hoger beroep

4.       In de hoger beroepen in de drie zaken staat de vraag centraal hoe de staatssecretaris moet omgaan met asielaanvragen van personen uit derde landen die in Griekenland internationale bescherming genieten als vluchteling, maar van wie niet verwacht kan worden dat zij terugkeren naar die lidstaat. Ook gaan deze hoger beroepen over de vraag of de staatssecretaris gebonden is aan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus en of hij contact moet opnemen met de Griekse autoriteiten om duidelijkheid te verkrijgen over de reden waarom zij de vreemdelingen hebben erkend als vluchteling.

Wettelijk kader

Het recht van de Europese Unie

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU)

Artikel 78

1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming, teneinde iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft, een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van non-refoulement te garanderen. Dit beleid moet in overeenstemming zijn met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen alsmede met de andere toepasselijke verdragen.

2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat omvat:

a. een uniforme asielstatus voor onderdanen van derde landen die in de hele Unie geldt;

[…]

d. gemeenschappelijke procedures voor toekenning of intrekking van de uniforme status van asielverzoek of van een verzoek om subsidiaire bescherming;

[…]

Dublinverordening (Verordening nr. 604/2013)

Artikel 3 (Toegang tot de procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming)

1. De lidstaten behandelen elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is.

[…]

Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU)

Overweging 21

De erkenning van de vluchtelingenstatus heeft declaratoire kracht.

Artikel 1 (Doel)

Het doel van deze richtlijn is normen vast te stellen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, alsmede voor de inhoud van de verleende bescherming.

Artikel 2 (Definities)

In deze richtlijn gelden de volgende definities:

[…]

d) "vluchteling": een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, […], en op wie artikel 12 niet van toepassing is;

e) "vluchtelingenstatus": de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling;

[..]

h) "verzoek om internationale bescherming": een verzoek van een onderdaan van en derde land of een staatloze om bescherming van de lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden verzocht;

i) "verzoeker": een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;

[…]

Artikel 3 (Gunstiger normen)

De lidstaten kunnen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerkend komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstiger normen vaststellen of handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.

Artikel 4 (Beoordeling van feiten en omstandigheden)

1. De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

2. De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.

[…]

Artikel 11 (Beëindiging)

1. Een onderdaan van een derde land of staatloze houdt op vluchteling te zijn wanneer hij:

[…]

e) omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling werd erkend hebben opgehouden te bestaan, niet langer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit;

[…]

Artikel 13 (Verlening van de vluchtelingenstatus)

De lidstaten verlenen de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend.

Artikel 14 (Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus)

1. Met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/83/EG, trekken de lidstaten de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie verleende vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze in, beëindigen zij deze of weigeren zij deze te verlengen indien hij volgens de criteria van artikel 11 geen vluchteling meer is.

2. Onverminderd de plicht van een vluchteling uit hoofde van artikel 4, lid 1, om melding te maken van alle relevante feiten en alle relevante documenten waarover hij beschikt, over te leggen, toont de lidstaat die de vluchtelingenstatus heeft verleend per geval aan dat de betrokken persoon geen vluchteling meer is of dat nooit geweest is, overeenkomstig lid 1.

Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU)

Artikel 1 (Doel)

Deze richtlijn beoogt de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming uit hoofde van Richtlijn 2011/95/EU.

Artikel 31 (Behandelingsprocedure)

1. De lidstaten behandelen verzoeken om internationale bescherming in een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II.

[…]

Artikel 32 (Ongegronde verzoeken)

1. Onverminderd artikel 27 kunnen de lidstaten een verzoek enkel als ongegrond afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU.

[…]

Artikel 33 (Niet-ontvankelijke verzoeken)

1. Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013, zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht.

2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:

a) een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend;

[…]

Artikel 44 (Intrekking van de internationale bescherming)

De lidstaten zorgen ervoor dat een onderzoek om de internationale bescherming van een bepaalde persoon in te trekken, kan beginnen wanneer er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn waaruit blijkt dat er redenen zijn om de geldigheid van de internationale bescherming opnieuw te onderzoeken.

Nationaal recht

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 30a

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

a) de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet;

[…]

Artikel 31

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2. De vreemdeling brengt alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren. Onze Minister beoordeelt in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen.

[…]

Beoordeling volgens nationaal recht die niet relevant is voor deze prejudiciële procedure

5.       In de zaak van de vreemdeling M klaagt de staatssecretaris in zijn enige grief dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden.

Dit betoog faalt. Gelet op artikel 8:69, tweede lid, van de Awb moet de bestuursrechter binnen de grenzen van het geschil de rechtsgronden ambtshalve aanvullen. Weliswaar heeft de vreemdeling M tijdens de beoordeling van haar asielaanvraag en in beroep niet zelf het standpunt ingenomen dat de staatssecretaris op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus had moeten overnemen, maar dit neemt niet weg dat de rechtbank heeft mogen oordelen dat de vreemdeling M beoogd heeft ook dit standpunt in beroep in te nemen. Door in het betoog van de vreemdeling M, dat zij door de staatssecretaris ten onrechte niet als vluchteling is aangemerkt, dit standpunt te lezen op basis van het dossier is de rechtbank niet buiten de grenzen van het geschil getreden. Uit het dossier van de vreemdeling M blijkt namelijk duidelijk dat tijdens de met haar gehouden gehoren is gesproken over haar verblijf in Griekenland en over haar Griekse verblijfsvergunning. Bovendien volgt uit de reactie van de Griekse autoriteiten op het claimverzoek op grond van de Dublinverordening, welke reactie deel uitmaakt van het dossier van de vreemdeling M, dat zij door die autoriteiten is erkend als vluchteling.

Beoordeling hoger beroepen en aanleiding voor de prejudiciële vragen

Is een lidstaat verplicht de door een andere lidstaat toegekende vluchtelingenstatus te erkennen en over te nemen? Zo nee, moet hij bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming dan op enige manier rekening houden met de door die andere lidstaat toegekende status?

6.       De Procedurerichtlijn en de Kwalificatierichtlijn zijn tot stand gekomen in het kader van het vaststellen van het GEAS; zie artikel 78, eerste en tweede lid, van het VWEU). Het GEAS beoogt harmonisatie van onder meer de asielprocedure en de voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor internationale bescherming. Volgens het GEAS mogen de lidstaten op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel erop vertrouwen dat een andere lidstaat een verzoek om internationale bescherming volgens de daarin opgenomen waarborgen zal behandelen (vergelijk het arrest van het Hof van 21 december 2011, N.S. e.a., ECLI:EU:C:2011:865, punt 78).

6.1.    De Afdeling stelt vast dat het VWEU noch de Procedurerichtlijn of de Kwalificatierichtlijn bepalingen bevat waaruit blijkt dat maximale harmonisatie wordt nagestreefd in die zin dat lidstaten elkaars positieve asielbeslissingen moeten erkennen. De Afdeling wijst erop dat het de lidstaten expliciet wordt toegestaan gunstigere normen toe te passen (zie de overweging 14 van de preambule en artikel 5 van de Procedurerichtlijn en overweging 14 van de preambule en artikel 3 van de Kwalificatierichtlijn) zolang dit past binnen de context van internationale bescherming (zie het arrest van 18 december 2014, M’Bodj, ECLI:EU:C:2014:2452, punt 42-44). Dit betekent volgens de Afdeling dat eenzelfde verzoek om internationale bescherming niet per definitie in elke lidstaat aan de hand van dezelfde materiële en procedurele normen wordt beoordeeld en dat er dus verschillen kunnen bestaan in de uitkomst daarvan. De Afdeling gaat er dan ook van uit dat een lidstaat niet verplicht kan worden een besluit strekkende tot verlening van internationale bescherming en de daarbij behorende verplichtingen van een andere lidstaat over te nemen.

6.2.    Dat van (een plicht tot) wederzijdse erkenning van statussen (nog) geen sprake is, volgt volgens de Afdeling ook uit de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad naar een hervorming van het gemeenschappelijk asielstelsel en een verbetering van de legale mogelijkheden om naar Europa te komen (COM(2016) 197 final, p. 12). Hierin staat:

"Bovendien kunnen op de langere termijn initiatieven worden ontplooid om de onderlinge erkenning van de in de verschillende lidstaten toegekende bescherming te bevorderen, hetgeen de basis zou kunnen zijn voor een kader voor de overdracht van bescherming."

6.3.    Waar het gaat om de vluchtelingenstatus is in dit verband echter van belang dat uit overweging 21 van de Kwalificatierichtlijn volgt dat de erkenning als vluchteling declaratoire kracht heeft en dat deze niet constitutief is voor de hoedanigheid van vluchteling (vergelijk het arrest van het Hof van 14 mei 2019, M, X en X, ECLI:EU:C:2019:403, punt 85). In het arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248, punten 52 en 54, oordeelde het Hof dat de lidstaten krachtens artikel 13 van deze richtlijn de vluchtelingenstatus verlenen aan een onderdaan van een derde land of een staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als zodanig wordt erkend, zonder dat zij in dit opzicht over discretionaire bevoegdheid beschikken. De Afdeling leidt vooralsnog uit de genoemde arresten af dat de declaratoire kracht van de erkenning als vluchteling er niet toe leidt dat de ene lidstaat gebonden is aan een erkenning door een andere lidstaat. Daarvoor is van belang dat het Unierecht er niet in voorziet dat lidstaten gebonden zijn aan de vaststelling van de hoedanigheid van vluchteling door een andere lidstaat. De Afdeling sluit een andere lezing echter niet uit.

6.4.    De Afdeling wijst erop dat de onderzoekende lidstaat, gelet op artikel 33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn, weliswaar de mogelijkheid heeft om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren als een andere lidstaat de verzoeker al internationale bescherming heeft toegekend, maar dat de Procedurerichtlijn geen bepalingen bevat waarin staat wat de onderzoekende lidstaat moet doen als zij geen gebruik kan maken van die mogelijkheid, bijvoorbeeld omdat de verzoeker niet kan terugkeren naar die andere lidstaat wegens een dreigende schending van artikel 4 van het EU Handvest. De Procedurerichtlijn maakt niet duidelijk of de onderzoekende lidstaat de door de andere lidstaat verleende status dan moet erkennen of dat zij het verzoek opnieuw volledig moet beoordelen als ware het een eerste verzoek op het grondgebied van de Unie.

6.5.    Er is nog geen rechtspraak waarin wordt ingegaan op de vraag hoe een lidstaat moet omgaan met de erkenning als vluchteling of met de toekenning van subsidiaire bescherming door een andere lidstaat, terwijl van de verzoeker niet gevergd kan worden dat hij terugkeert naar die lidstaat, omdat de levensomstandigheden in die lidstaat hem zouden blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.

6.6.    De onder 6.3 en 6.4 genoemde vragen worden niet beantwoord in het arrest van het Hof van 22 februari 2022, XXXX, ECLI:EU:C:2022:103. In dat arrest, dat betrekking had op de instandhouding van de eenheid van het gezin, wordt daarop niet ingegaan, omdat in die zaak geen sprake was van een dreigende schending van artikel 4 van het EU Handvest in de statusverlenende lidstaat. In zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest (ECLI:EU:C:2021:780, punt 64) is advocaat-generaal P. Pikamäe echter wel expliciet op die vraag ingegaan. Zijn standpunt luidt:

"Wanneer een lidstaat dus wordt geconfronteerd met een situatie die hem belet gebruik te maken van de door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 geboden mogelijkheid, moet hij het bij hem ingediende verzoek om internationale bescherming behandelen en nagaan of de persoon die om internationale bescherming verzoekt, aan de hierboven omschreven materiële voorwaarden voor toekenning van die bescherming voldoet. De lidstaat moet de betrokken derdelander derhalve aanmerken en behandelen als een persoon die voor het eerst om internationale bescherming verzoekt, ongeacht de bescherming die hem reeds door een andere lidstaat is toegekend. De gevolgen van een dergelijke situatie zijn door de Uniewetgever duidelijk in aanmerking genomen in het kader van de niet-ontvankelijkheidsregeling van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, en de omstandigheid dat een eerste lidstaat reeds internationale bescherming heeft toegekend, kan op generlei wijze opnieuw worden meegewogen bij de inhoudelijke behandeling van het verzoek, omdat anders aan deze bepaling elk nuttig effect wordt ontnomen."

7.       Aangezien het Hof zich hier nog niet eerder over heeft uitgelaten en gelet op de op 12 december 2022 door het Duitse Bundesverwaltungsgericht en de op 2 mei 2023 door het Verwaltungsgericht Stuttgart gestelde prejudiciële vraag en de noodzaak van een uniforme uitleg van Unierechtelijke begrippen, ziet de Afdeling aanleiding om het Hof te verzoeken om bij wijze van een prejudiciële beslissing antwoord te geven op de volgende vragen. Daarbij merkt de Afdeling op dat vraag 1 geheel overeenkomt met de door de Duitse rechters gestelde vraag.

Vraag 1

Moeten, in een geval dat een lidstaat geen gebruik mag maken van de door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming met het oog op de toekenning van de vluchtelingenstatus in een andere lidstaat niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de levensomstandigheden in die lidstaat de verzoeker zouden blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest, artikel 3, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 604/2013, artikel 4, lid 1, tweede volzin, en artikel 13 van richtlijn 2011/95/EU alsook artikel 10, leden 2 en 3, artikel 33, lid 1 en lid 2, onder a) van richtlijn 2013/32/EU aldus worden uitgelegd dat het feit dat de vluchtelingenstatus reeds is toegekend de lidstaat belet om het bij hem ingediende verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen zonder dat de uitkomst reeds op voorhand vaststaat, en hem ertoe verplicht om de verzoeker de vluchtelingenstatus toe te kennen zonder de materiële voorwaarden voor deze bescherming te onderzoeken?

Vraag 2

Zo nee, moet de onderzoekende lidstaat de verzoeker om internationale bescherming - die niet kan terugkeren naar de lidstaat die hem de vluchtelingenstatus heeft toegekend - dan aanmerken en behandelen als een persoon die voor het eerst om internationale bescherming verzoekt? En moet de onderzoekende lidstaat bij de beoordeling van dit verzoek dan op enige manier rekening houden met de door de andere lidstaat toegekende status? En zo ja, op welke wijze?

De samenwerkingsplicht

8.       Als uit het antwoord op de vragen 1 en 2 volgt dat een lidstaat een verzoek om internationale bescherming volledig opnieuw mag beoordelen als ware het een eerste verzoek op het grondgebied van de Unie en dat die lidstaat dan rekening moet houden met de door de andere lidstaat toegekende vluchtelingenstatus, dan rijst een nieuwe vraag: moet de onderzoekende lidstaat dan stukken opvragen bij de statusverlenende lidstaat om te onderzoeken op grond van welke feiten en beoordelingen de statusverlenende lidstaat is overgegaan tot de erkenning van de verzoeker als vluchteling?

8.1.    De Afdeling wijst erop dat de vreemdelingen in de drie zaken waarover deze verwijzingsuitspraak gaat, niet in het bezit waren van een document waaruit blijkt op grond waarvan zij als vluchteling zijn erkend door de Griekse autoriteiten. Deze vreemdelingen hebben ook tijdens de met hen gehouden gehoren niet kunnen verklaren waarom de Griekse autoriteiten hun internationale bescherming hebben verleend.

8.2.    De staatssecretaris heeft de verzoeken om internationale bescherming van deze vreemdelingen inhoudelijk onderzocht en beoordeeld op de wijze waarop hij in het algemeen verzoeken om internationale bescherming onderzoekt en beoordeelt. Hij heeft na deze beoordeling vastgesteld dat zij niet voldoen aan de voorwaarden, genoemd in de hoofdstukken II, III en V van de Kwalificatierichtlijn en dat zij dus niet als vluchteling kunnen worden aangemerkt en ook niet in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming. Dat roept de vraag op in hoeverre het op de weg van de staatssecretaris ligt om te onderzoeken waarom en onder welke omstandigheden Griekenland de vreemdelingen wél internationale bescherming heeft verleend.

8.3.    Uit artikel 4, eerste en tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn volgt dat de lidstaten van een verzoeker om internationale bescherming mogen verlangen dat hij alle elementen, waaronder informatie over eerdere verzoeken, ter staving van zijn verzoek zo spoedig mogelijk indient. Verder heeft de lidstaat tot taak om de relevante elementen van het onderzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

8.4.    In het arrest van het Hof van 22 november 2012, M., ECLI:EU:C:2012:744, punt 64, heeft het Hof een nadere uitleg gegeven van de op de lidstaten rustende samenwerkingsplicht. Volgens het Hof verloopt de beoordeling van feiten en omstandigheden in twee fasen:

"De eerste fase betreft de vaststelling van de feitelijke omstandigheden die bewijselementen tot staving van het verzoek kunnen vormen, terwijl de tweede fase de beoordeling in rechte van deze gegevens betreft, waarbij wordt beslist of in het licht van de feiten die een zaak kenmerken, is voldaan aan de materiële voorwaarden (…) voor de toekenning van internationale bescherming".

De samenwerkingsplicht heeft volgens het Hof alleen betrekking op de eerste fase. Een onderzoek naar de gegrondheid van het asielverzoek behoort namelijk tot de uitsluitende bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteit, zodat in deze fase een samenwerkingsplicht van de autoriteit met de verzoeker niet aan de orde is (punten 68 en 70 van het arrest M.). Het Hof heeft dit oordeel bevestigd in het arrest van 2 december 2014, A, B en C, ECLI:EU:C:2014:2406, punten 55 en 56.

8.5.    Uit de arresten M. en A, B en C volgt dus dat de staatssecretaris met de verzoekers moet samenwerken om de feitelijke omstandigheden te verzamelen die hun verzoek onderbouwen. Hoewel het daarbij primair de taak van de verzoekers is om alle relevante informatie naar voren te brengen, is het volgens de Afdeling de vraag of het niet eerder op de weg van de staatssecretaris ligt om de Griekse autoriteiten om het asieldossier of om nadere inlichtingen te vragen als de verzoekers concrete aanknopingspunten hebben aangedragen waaruit blijkt dat de Griekse autoriteiten over relevante informatie beschikken. De nationale autoriteiten van een lidstaat zijn doorgaans beter in staat dan de verzoekers om bij de autoriteiten van een andere lidstaat zulke informatie op te vragen. Vooral in een geval als dit, waarin van de verzoekers niet wordt verlangd dat zij terugkeren naar Griekenland, omdat de levensomstandigheden in die lidstaat hen zouden blootstellen aan een ernstig risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.

8.6.    De staatssecretaris heeft naar voren gebracht dat het opvragen van asieldossiers in andere lidstaten praktische problemen met zich mee kan brengen. Zo kost het opvragen van asieldossiers in een andere lidstaat en het vertalen daarvan veel tijd en is het bij grote aantallen aanvragen ook praktisch onmogelijk om hele dossiers op te vragen. Ook het verzoeken om nadere inlichtingen zonder de dossiers op te vragen zou volgens de Afdeling op praktische bezwaren kunnen stuiten. Het is bijvoorbeeld niet altijd zeker dat de aangezochte lidstaat reageert op een verzoek om stukken of nadere inlichtingen op te sturen. Los daarvan vraagt de Afdeling zich af of het wel binnen de samenwerkingsplicht past om het Griekse asieldossier of nadere inlichtingen op te vragen als het erom gaat te achterhalen welke kwalificatie daarin is gegeven aan de naar voren gebrachte feiten. Een dergelijk onderzoek naar de redenen waarom de Griekse autoriteiten de vreemdelingen de vluchtelingenstatus hebben verleend, zou naar het oordeel van de Afdeling een onderzoek inhouden naar de tweede fase. Het Hof heeft echter verduidelijkt dat de samenwerkingsplicht daar niet op ziet.

9.       Daarom ziet de Afdeling aanleiding om het Hof te verzoeken om bij wijze van een prejudiciële beslissing ook antwoord te geven op de volgende vraag:

Vraag 3

Moet, in een geval dat een verzoeker om internationale bescherming al door een andere lidstaat is erkend als vluchteling, artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 2011/95/EU zo worden uitgelegd dat de onderzoekende lidstaat, indien de verzoeker daartoe concrete aanknopingspunten levert, om stukken of nadere inlichtingen moet vragen bij de statusverlenende lidstaat om te onderzoeken op grond van welke feiten en/of stukken die lidstaat ten aanzien van de verzoeker is overgegaan tot de erkenning als vluchteling?

Het intrekken, beëindigen of niet-verlengen van de erkenning als vluchteling door een andere lidstaat

10.     Als uit het antwoord op vraag 1 evenwel volgt dat een lidstaat gebonden is aan de erkenning als vluchteling door een andere lidstaat, rijst de vraag of de staatssecretaris de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus expliciet moet intrekken, beëindigen of niet-verlengen (artikel 14 in samenhang gelezen met artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn) als geconstateerd wordt dat de verzoeker niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden om als vluchteling te kunnen worden erkend.

10.1.  Het Hof heeft in het arrest van 23 mei 2019, Bilali, ECLI:EU:C:2019:448, punt 65 geoordeeld dat een lidstaat een subsidiaire beschermingsstatus moet intrekken wanneer hij deze status heeft verleend zonder dat aan de voorwaarden daarvoor was voldaan en zich daarbij heeft gebaseerd op feiten die later onjuist bleken te zijn, hoewel de betrokken persoon niet kan worden verweten die lidstaat daarbij te hebben misleid (artikel 19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Kwalificatierichtlijn).

10.2.  Hoewel dat arrest gaat over de intrekking van een subsidiaire beschermingsstatus, gaat de Afdeling ervan uit dat het oordeel van het Hof analoog kan worden toegepast op de situatie waarin een lidstaat de vluchtelingenstatus heeft verleend, maar waarin vervolgens is komen vast te staan dat niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden om als vluchteling te worden erkend. De artikelen 14 en 11 van de Kwalificatierichtlijn vertonen inhoudelijk namelijk sterke overeenkomsten met de artikelen 19 en 16 van die richtlijn.

10.3.  Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit het arrest Bilali dat een lidstaat een door hemzelf verleende status expliciet moet intrekken, beëindigen of niet-verlengen als uit nader onderzoek blijkt dat de verzoeker om internationale bescherming niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden om als vluchteling te worden erkend. Indien het antwoord op vraag 1 is dat de onderzoekende lidstaat de erkenning als vluchteling door de statusverlenende lidstaat moet overnemen, betekent dit volgens de Afdeling dan ook dat de onderzoekende lidstaat de aan de verzoeker verleende vluchtelingenstatus mag of moet intrekken, beëindigen of niet-verlengen als hij vaststelt dat de verzoeker volgens de criteria van artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn geen vluchteling meer is. De Afdeling vraagt zich daarbij wel af op welk moment en hoe die vaststelling dan zou mogen plaatsvinden: mag de lidstaat die de vluchtelingenstatus overneemt direct na de overname al onderzoeken of de verzoeker nog steeds als vluchteling kan worden aangemerkt? Verder vraagt de Afdeling zich af hoe de intrekking, beëindiging of niet-verlenging zich verhoudt met het interstatelijk vertrouwensbeginsel: moeten de lidstaten elkaars beslissingen niet respecteren? Het kan immers zo zijn dat de statusverlenende lidstaat gunstigere normen hanteert, waardoor de verzoeker om internationale bescherming in die lidstaat wel maar in een andere lidstaat niet in aanmerking kan komen voor erkenning als vluchteling. Ook vraagt de Afdeling zich af of het intrekken, beëindigen of niet-verlengen van een door een andere lidstaat verleende status wel in overeenstemming is met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel. Een persoon die internationale bescherming geniet in de statusverlenende lidstaat, maar die - om wat voor reden dan ook - niet kan terugkeren naar die lidstaat, komt namelijk in een slechtere positie te verkeren als hij opnieuw een verzoek om internationale bescherming indient in een andere lidstaat, omdat de status die hij heeft gekregen dan kan worden ingetrokken, beëindigd of niet-verlengd.

11.     De Afdeling ziet daarom aanleiding om de volgende prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen:

Vraag 4

Moeten, in een geval dat de door de eerste lidstaat verleende status door een andere lidstaat moet worden overgenomen (zie vraag 1) en vervolgens vast komt te staan dat een verzoeker om internationale bescherming niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden, genoemd in de hoofdstukken II en III van richtlijn 2011/95/EU, de artikelen 11 en 14 van die richtlijn zo worden uitgelegd dat ook deze andere lidstaat de door de eerste lidstaat verleende status kan intrekken, beëindigen of niet-verlengen?

Conclusie

12.     Omdat het Hof nog geen uitleg heeft gegeven over de onder 7, 9 en 11 opgeworpen vragen, het Unierecht geen antwoorden biedt op die vragen en gelet op de door de Duitse rechters gestelde prejudiciële vraag, stelt de Afdeling vast dat de antwoorden op deze vragen in deze zaken niet 'clair' of 'éclairé' zijn. Zie in dit verband de punten 14 en 16 van het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, zoals bevestigd in punt 33 van het arrest van het Hof van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799.

12.1.  Daarbij komt dat er in de Nederlandse lagere rechtspraak geen rechtseenheid bestaat. Zie in dit verband punt 49 van het eerder genoemde arrest Consorzio Italian Management en punt 45 van het arrest van het Hof van 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a., ECLI:EU:C:2015:565.

13.     De Afdeling zal daarom in deze drie zaken de hierna geformuleerde, voor haar uitspraken relevante vragen aan het Hof voorleggen en verzoekt het Hof deze prejudiciële vragen gevoegd te behandelen met de bij hem aanhangige zaken C-753/22 en C-288/23. Deze zaken betreffen een door het Bundesverwaltungsgericht van Duitsland bij uitspraak van 22 december 2022 gestelde prejudiciële vraag en de op 3 mei 2023 door het  Verwaltungsgericht Stuttgart (Duitsland) gestelde prejudiciële vragen.

14.     De behandeling van de hoger beroepen in de zaken nrs. 202202776/1/V3, 202203031/1/V3 en 202205428/1/V3 zal worden geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:

Vraag 1

Moeten, in een geval dat een lidstaat geen gebruik mag maken van de door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming met het oog op de toekenning van de vluchtelingenstatus in een andere lidstaat niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de levensomstandigheden in die lidstaat de verzoeker zouden blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest, artikel 3, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 604/2013, artikel 4, lid 1, tweede volzin, en artikel 13 van richtlijn 2011/95/EU alsook artikel 10, leden 2 en 3, artikel 33, lid 1 en lid 2, onder a) van richtlijn 2013/32/EU aldus worden uitgelegd dat het feit dat de vluchtelingenstatus reeds is toegekend de lidstaat belet om het bij hem ingediende verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen zonder dat de uitkomst reeds op voorhand vaststaat, en hem ertoe verplicht om de verzoeker de vluchtelingenstatus toe te kennen zonder de materiële voorwaarden voor deze bescherming te onderzoeken?

Vraag 2

Zo nee, moet de onderzoekende lidstaat de verzoeker om internationale bescherming - die niet kan terugkeren naar de lidstaat die hem de vluchtelingenstatus heeft toegekend - dan aanmerken en behandelen als een persoon die voor het eerst om internationale bescherming verzoekt? En moet de onderzoekende lidstaat bij de beoordeling van dit verzoek dan op enige manier rekening houden met de door de andere lidstaat toegekende status? En zo ja, op welke wijze?

Vraag 3

Moet, in een geval dat een verzoeker om internationale bescherming al door een andere lidstaat is erkend als vluchteling, artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 2011/95/EU zo worden uitgelegd dat de onderzoekende lidstaat, indien de verzoeker daartoe concrete aanknopingspunten levert, om stukken of nadere inlichtingen moet vragen bij de statusverlenende lidstaat om te onderzoeken op grond van welke feiten en/of stukken die lidstaat ten aanzien van de verzoeker is overgegaan tot de erkenning als vluchteling?

Vraag 4

Moeten, in een geval dat de door de eerste lidstaat verleende status door een andere lidstaat moet worden overgenomen (zie vraag 1) en vervolgens vast komt te staan dat een verzoeker om internationale bescherming niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden, genoemd in de hoofdstukken II en III van richtlijn 2011/95/EU, de artikelen 11 en 14 van die richtlijn zo worden uitgelegd dat ook deze andere lidstaat de door de eerste lidstaat verleende status kan intrekken, beëindigen of niet-verlengen?

II.       schorst de behandeling van de hoger beroepen tot het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan en houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Vos
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2023

644