Uitspraak 202303750/2/R1


Volledige tekst

202303750/2/R1.
Datum uitspraak: 19 juli 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

Stichting Behoud Lutkemeer, gevestigd te Amsterdam,
verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2023 in zaak nr. 22/4944 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2022 heeft het college aan Distri Development 4.0 B.V. omgevingsvergunning verleend voor nieuwbouw van een distributiecentrum in de Lutkemeerpolder op de locatie Bromostraat 17 t/m 23 (oneven) en 27 en 33 t/m 37 (oneven) te Amsterdam.

Bij besluit van 8 september 2022 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 mei 2023 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft de stichting de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juni 2023, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J. Monster, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. de Groot, advocaat te Amsterdam, en J.G.F. Krabbenborg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Distri Development 4.0, vertegenwoordigd door mr. T.F.M. Wijgergans, advocaat te Eindhoven, en mr. S. Nijenhuis, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.       Distri Development 4.0 heeft een aanvraag gedaan voor de bouw van een distributiecentrum aan de Bromostraat in de Lutkemeerpolder. Het bouwplan past, met uitzondering van de hoogte van de dakopbouw voor een liftschacht, binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Lutkemeerpolder", waarin aan deze gronden de bestemming "Bedrijf" is toegekend.

Het college heeft de omgevingsvergunning voor het bouwplan verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

3.       De stichting, die blijkens haar statuten behoud van groen en  bescherming van natuur en klimaat ten doel heeft, kan zich niet met de verlening van de omgevingsvergunning verenigen, omdat deze vergunning bedrijfsmatig gebruik van de gronden mogelijk maakt dat niet aan Schiphol is gebonden. Volgens de stichting had de rechtbank artikel 3 van de planregels van het bestemmingsplan Lutkemeerpolder exceptief toetsend onverbindend moeten achten of buiten toepassing laten, omdat daarin niet langer als vestigingseis is opgenomen dat het bedrijf een binding met Schiphol moet hebben. Het daarvoor geldende bestemmingsplan kende een dergelijke eis wel. De stichting is het niet eens met de uitkomst van de zogeheten exceptieve toetsing van artikel 3 van de planregels door de rechtbank.

Distri Development 4.0 heeft naar voren gebracht dat haar bouwplan een groot, modern distributiecentrum betreft dat is bedoeld om op elektrische wijze in de bevoorrading van de stad Amsterdam en de regio te voorzien. Zij heeft erop gewezen dat een aantal bedrijven in de omgeving van haar locatie op grond van het bestemmingsplan al onherroepelijk is vergund en gerealiseerd.

Spoedeisend belang

4.       De stichting heeft een spoedeisend belang bij haar verzoek. Vast staat dat het terrein bouwrijp is gemaakt. Verder heeft Distri Development 4.0 toegelicht voornemens te zijn zo snel mogelijk met de bouw te starten.

Beoordeling verzoek

5.       Het geldende bestemmingsplan "Lutkemeerpolder" uit 2013, dat de grondslag voor de omgevingsvergunning vormt, is een herziening van het daarvoor geldende bestemmingsplan uit 2002 dat aan de locatie aan de Bromostraat ook een bedrijfsbestemming toekende. Bij dit vorige plan was de toegestane bedrijvigheid evenwel beperkt tot bedrijven die een binding met Schiphol hadden. Deze vestigingseis is met het bestemmingsplan uit 2013 komen te vervallen.

6.       De stichting, die ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Lutkemeerpolder" in 2013 nog niet was opgericht, stelt dat er ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan geen zorgvuldig publiek debat over het vervallen van de vestigingseis heeft kunnen plaatsvinden op basis van alle relevante informatie. Dit is volgens haar zo, omdat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan door de raad van de gemeente Amsterdam in april 2013 nog niet bekend was dat een lid van het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland nadien strafrechtelijk zou worden veroordeeld voor onder mee het aannemen van giften. Uit met name het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:1212) leidt de stichting af dat de oud-gedeputeerde, die van 15 januari 2005 tot 6 juli 2009 gedeputeerde voor ruimtelijke ordening is geweest, onder het aannemen van giften mogelijk de besluitvorming van de raad van de gemeente in 2013 over het niet vasthouden aan de vestigingseis ongeoorloofd heeft beïnvloed. Artikel 3 van de planregels van het bestemmingsplan, waarin de vestigingseis is losgelaten, had daarom volgens de stichting onverbindend moeten worden verklaard of buiten toepassing moeten blijven. Dit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals gekleurd door de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie en de verplichtingen uit artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: het Verdrag van Aarhus) om het publiek van alle relevante informatie te voorzien. De stichting vindt het niet redelijk dat zij met meer bewijs moet komen om de ongeoorloofde beïnvloeding aannemelijk te maken en stelt dat de raad een nieuwe, integrale belangenafweging, "ex nunc", moet maken over de aanvaardbaarheid van artikel 3 van de planregels. De rechtbank heeft dit volgens haar miskend en een onjuiste exceptieve toets uitgevoerd.

6.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank bij haar oordeel in het kader van de exceptieve toetsing van artikel 3 van de planregels het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. De rechtbank heeft terecht verwezen naar de vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraken van de Afdeling van 19 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:520 en van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1887) over de exceptieve toets, waaruit volgt dat de mogelijkheid om de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning beperkt is. Naar voorlopig oordeel heeft de rechtbank in het door de Stichting aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om vast te stellen dat de besluitvorming door de raad over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het loslaten van de eis van Schipholgebondenheid in artikel 3 van het plan, in 2013 evident onzorgvuldig is geweest in de door de stichting bedoelde zin. Voorshands is niet gebleken dat het besluit van de raad om de eis van Schipholgebondenheid in artikel 3 van het plan niet meer te stellen het gevolg is geweest van een ongeoorloofde en beslissende beïnvloeding van de leden van de raad door de oud-gedeputeerde en dat de raad geen eigen, zelfstandige afweging van alle bij het vaststellen van het bestemmingsplan betrokken belangen heeft gemaakt. Met de rechtbank ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om aan te nemen dat er voordat het plan in 2013 werd vastgesteld geen mogelijkheid heeft bestaan tot het voeren van een maatschappelijk debat met betrekking tot de rol van de oud-gedeputeerde in relatie tot de totstandkoming van het plan. Naar voorlopig oordeel heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien om artikel 3 van de planregels exceptief toetsend onverbindend te achten of dit artikel buiten toepassing te laten. Belanghebbenden die het niet eens waren met het vervallen van deze eis hebben hiertegen destijds kunnen opkomen en tegen het vastgestelde artikel 3 rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Het staat elke belanghebbende ook vrij om de raad van de gemeente te vragen deze planregel op basis van nieuwe kennis en actuele inzichten te herzien. Verder heeft het college erop gewezen dat inmiddels een herziening van het bestemmingsplan in procedure is, waarbij een nieuwe belangenafweging plaatsvindt. Naar aanleiding van in de raad aangenomen moties over de actueel wenselijke inrichting van het plangebied zal bij deze herziening vermoedelijk een deel daarvan worden aangewezen voor stadslandbouw.

6.2.    Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter niet verwacht dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter laat in deze procedure uitdrukkelijk in het midden of de stichting voor het eerst in hoger beroep een beroep kan doen op artikel 10 van het EVRM en het Verdrag van Aarhus. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen
voorzieningenrechter

w.g. Kos
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2023

580