Uitspraak 200302738/1 en 200302738/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:138
- Datum uitspraak
- 19 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 november 2002 heeft verweerder aan het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem voor een perceel nabij het gehucht Beutenaken ontheffing verleend van het in artikel 5.37, lid1, onder h, van de Provinciale Milieuverordening Limburg opgenomen verbod om de grond te roeren dieper dan drie meter beneden het maaiveld.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Overige
Toon inhoud
200302738/1 en 200302738/2.
Datum uitspraak: 19 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:
[appellante], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Limburg,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2002 heeft verweerder aan het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem voor een perceel nabij het gehucht Beutenaken ontheffing verleend van het in artikel 5.37, lid1, onder h, van de Provinciale Milieuverordening Limburg opgenomen verbod om de grond te roeren dieper dan drie meter beneden het maaiveld.
Bij besluit van 1 april 2003, verzonden op 4 april 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 april 2003, bij de Raad
van State ingekomen 29 april 2003, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2003.
Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Overwegingen
2.1. Bij het bestreden besluit van 1 april 2003 is ontheffing verleend voor het roeren van de grond dieper dan drie meter beneden maaiveld ten behoeve van de aanleg van een bergbezinkbassin. Verzoekster woont in de directe nabijheid van het perceel waarop het bassin is geprojecteerd.
2.2. In het bestreden besluit, waarin het advies van de Awb-commissie bezwaarschriften van 27 februari 2003 is overgenomen, is het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Daaraan is ten grondslag gelegd dat dit besluit op zichzelf geen rechten of verplichtingen voor appellante in het leven roept, zodat zij bij dit besluit slechts een afgeleid belang heeft, gezien het belang dat zij heeft bij de op grond van het besluit te nemen vervolgbesluiten. Verweerder heeft daaraan toegevoegd dat door sec het roeren van de grond dieper dan drie meter appellante niet rechtstreeks in haar belangen wordt getroffen en zij (ook) daarom geen belanghebbende is.
2.3. In artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.
2.4. Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder miskend dat artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht zich niet beperkt tot belanghebbenden voor wie een besluit rechten en verplichtingen in het leven roept – bij een beschikking zal dat in het algemeen de geadresseerde zijn -, zoals in dit geval de aanvrager, maar ook ziet op derde-belanghebbenden, waaronder omwonenden kunnen vallen. De Voorzitter is van oordeel dat appellante, als omwonende van een perceel dat blijkens de stukken naast of vrijwel naast het betrokken perceel is gelegen, als derde- belanghebbende een belang heeft dat rechtstreeks bij het besluit betrokken is. Dat verweerder op inhoudelijke milieuhygiënische gronden van oordeel is dat het belang van appellante voldoende wordt beschermd door de aan het besluit verbonden voorschriften en beperkingen, is geen reden om haar niet aan te merken als belanghebbende. Dat het roeren van de grond in dit geval niet zal plaatsvinden alvorens vervolgbesluiten zijn genomen betreffende het bergbezinkbassin, doet daaraan evenmin af.
2.5. Door een te beperkte uitleg van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.6. Het beroep is gegrond. Gelet daarop is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.7. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Limburg van 1 april 2003, kenmerk 2001/40563;
II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;
III. gelast dat de provincie Limburg aan appellante het door haar voor de behandeling van het verzoek en het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Van der Vlis
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2003
157.