Uitspraak 200301199/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:142
- Datum uitspraak
- 17 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer vastgesteld het bestemmingsplan "1e Herziening bestemmingsplan Nieuw-Oosteinde".
- Voorlopige voorziening
- RO - Noord-Holland
Toon inhoud
200301199/2
Datum uitspraak: 17 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
de vereniging “Bewonersvereniging WZ twee”, gevestigd te Aalsmeer,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer vastgesteld het bestemmingsplan "1e Herziening bestemmingsplan Nieuw-Oosteinde".
Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 januari 2003, kenmerk 2002-20814, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 26 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2003, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 april 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door F. Domingues en S. Kragtwijk, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, zijn verschenen.
Voorts is daar de gemeenteraad van Aalsmeer, vertegenwoordigd door ing. L.J.A. Evers en mr. H.S. Weeda, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het bestemmingsplan beoogt hoofdzakelijk een herziening van enkele onderdelen van het bestemmingsplan "Nieuw-Oosteinde", dat grootschalige woningbouw beoogt mogelijk te maken ten westen van de Machineweg te Aalsmeer.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan, voorzover hier van belang, goedgekeurd.
2.3. Verzoekster stelt dat het bestreden besluit op verschillende punten ten onrechte is genomen en verzoekt in zoverre schorsing van het besluit.
Allereerst kan verzoekster zich niet verenigen met het toekennen van een wijzigingsbevoegdheid voor de gronden van de woningen en schoolgebouwen ten zuiden van de Julianalaan.
Ook stelt zij dat de toegestane bouwhoogte van 15 meter op gronden met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden 2 (UW2)” niet aanvaard kan worden. Deze wijkt af van de bebouwing in de omgeving en is strijdig met de rondom Schiphol geldende bouwbeperkingen.
Verder is verzoekster van mening dat de met behulp van een uit te werken bestemming toegestane vergroting van het winkelcentrum het dorpse karakter van de omgeving geweld aandoet.
Daarnaast heeft zij bezwaar tegen de toegestane doortrekking van de Julianalaan naar de Machineweg. Zij vreest dat haar aan de Julianalaan woonachtige leden hiervan overlast zullen ondervinden.
Voorts acht verzoekster de wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding van de bestemming “Bijzondere doeleinden (BD)” bezwaarlijk.
Tot slot meent zij dat het plan met een uit te werken bestemming ten onrechte woningbouw mogelijk maakt op de gronden van een boomgaard ten noorden van de Julianalaan. Zij vreest hiermee voor extra overlast.
2.4. De Voorzitter overweegt dat de bezwaren met betrekking tot het toekennen van een wijzigingsbevoegdheid aan gronden ten zuiden van de Julianalaan en die met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding van de bestemming “Bijzondere doeleinden (BD)” niet zien op onderdelen van het voorliggende plan, maar op onherroepelijke onderdelen van het bestemmingsplan “Nieuw-Oosteinde”. Deze bezwaren kunnen derhalve in deze procedure, waarin slechts de goedkeuring van het voorliggende plan ter beoordeling staat, niet aan de orde komen. Aldus ziet de Voorzitter op dit punt geen grond voor de verwachting dat het beroep van verzoekster in de bodemprocedure gegrond zal worden verklaard.
2.5. Ten aanzien van de bezwaren omtrent de bouwhoogte, vergroting van het winkelcentrum en woningbouw ter plaatse van de boomgaard is van belang dat deze gronden met een uit te werken bestemming betreffen. Alvorens ter plaatse te kunnen bouwen zal de bestemming moeten worden uitgewerkt. Gelet op de voor uitwerking geldende procedurevoorschriften en de grote omvang van de gronden met een uit te werken bestemming behoeft bij inwerkingtreding van het plan op dit punt niet te worden gevreesd dat zich voor het tijdstip van de uitspraak in de bodemprocedure onomkeerbare gevolgen zullen voordoen. Dit geldt te meer, nu het beroep van verzoekster op 14 juli 2003 door de Afdeling ter zitting zal worden behandeld. In zoverre bestaat dan ook geen spoedeisend belang bij schorsing van het bestreden besluit wat betreft de betrokken planonderdelen.
2.6. Aangaande het bezwaar tegen het doortrekken van de Julianalaan overweegt de Voorzitter dat bij de voorbereiding van het voorliggende plan onderzoek is verricht naar de gevolgen van het doortrekken. De bevindingen van het onderzoek luiden dat het verkeer op de Julianalaan zal toenemen en dit kan worden beperkt door de weg in te richten als 30 kilometer-zone alsmede door een spreiding van de ontsluitingswegen. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten om deze bevindingen in twijfel te trekken. Een zodanige overlast voor de bewoners van de Julianalaan dat verweerder in redelijkheid geen goedkeuring aan het betrokken planonderdeel heeft kunnen verlenen, is dan ook onder deze omstandigheden niet aannemelijk. Aldus ziet de Voorzitter op dit punt geen grond voor de verwachting dat het beroep van verzoekster in de bodemprocedure gegrond zal worden verklaard.
2.7. Gelet op het voorgaande en ook in hetgeen verzoekster voor het overige heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding het bestreden besluit wat betreft de in het geding zijnde planonderdelen te schorsen.
2.8. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel w.g. Snijders
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2003
279