Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302798/2

Uitspraak 200302798/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:143
Datum uitspraak
16 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 april 2003, kenmerk DNB/2003/2805, heeft verweerder aan [verzoekster sub 3] te [plaats] een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het in de rivier de Donge brengen van afvalstoffen, verontreinigende en schadelijke stoffen ten gevolge van de bouw van schepen, drijvende offshoreconstructies en pontons alsmede ten gevolge van het repareren en conserveren van schepen. Dit besluit is op 9 april 2003 ter inzage gelegd.
  • Voorlopige voorziening
  • Oppervlaktewateren

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302798/2.
Datum uitspraak: 16 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoekerster sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [verzoek sub 2], wonend te [woonplaats],
3. [verzoekster sub 3] , gevestigd te [plaats],
verzoekers,

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2003, kenmerk DNB/2003/2805, heeft verweerder aan [verzoekster sub 3] te [plaats] een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het in de rivier de Donge brengen van afvalstoffen, verontreinigende en schadelijke stoffen ten gevolge van de bouw van schepen, drijvende offshoreconstructies en pontons alsmede ten gevolge van het repareren en conserveren van schepen. Dit besluit is op 9 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoeker sub 1 bij brief van 1 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2003, verzoeker sub 2 bij brief van 1 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2003, en verzoekster sub 3 bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 1 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2003, heeft verzoekerster sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 1 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2003, heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2003, heeft verzoekster sub 3 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 27 mei 2003, waar verzoekster sub 1 en verzoeker sub 2 in persoon en verzoekster sub 3, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen,
en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. de Bruin en ing. J. Brokke, ambtenaren bij Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wvo zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Verzoekster sub 1 en verzoeker sub 2 stellen dat verweerder miskent dat de inrichting op belangrijke punten nog immer niet de krachtens de Wvo verleende vergunning van 4 maart 1993 naleeft.

2.3.1. De Voorzitter overweegt dat deze grond van verzoekers geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet tot toewijzing van hun verzoeken kan leiden.

2.4. Verzoekster sub 1 stelt dat nu op de werf een reeks van onderaannemers werkt met voortdurend wisselend personeel, onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor naleving van de vergunning.

2.4.1. De Voorzitter overweegt dat de omstandigheid dat op de werf veel onderaannemers zouden werken, vergunningverlening niet onmogelijk maakt. Het is immers vergunninghoudster die door verweerder kan worden aangesproken op naleving van de vergunning, ook als de overtredingen feitelijk worden begaan door personeel van onderaannemers die in opdracht van vergunninghoudster werkzaamheden verrichten op de werf. De onderhavige vergunning legt immers plichten op aan vergunninghoudster. Overigens merkt de Voorzitter op dat ingevolge voorschrift 6, tweede lid, in de hellingvloerdiscipline onder meer een omschrijving van functies en taken van de leiding van het bedrijf en van de verantwoordelijkheden van de onderaannemers en hun personeel moet worden opgenomen.

2.5. Verzoekster sub 1 stelt dat verweerder ten onrechte pas drie maanden nadat het besluit van kracht wordt een geactualiseerde hellingvloerdiscipline vordert.

2.5.1. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 6, eerste lid, is bepaald dat vergunninghoudster dient te werken conform het gestelde in de, door de vergunninghoudster opgestelde hellingvloerdiscipline. Ingevolge het tweede lid van dit voorschrift dient vergunninghoudster de hellingvloerdiscipline binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning te actualiseren.

2.5.2. De Voorzitter overweegt dat, gelet op de onderwerpen die ingevolge voorschrift 6, tweede lid, in ieder geval in de geactualiseerde hellingvloerdiscipline moeten worden opgenomen, het niet onbegrijpelijk is dat het actualiseren van de hellingvloerdiscipline enige tijd zal vergen. De termijn van drie maanden na het van kracht worden van de vergunning acht de Voorzitter niet een dusdanig lange termijn dat met vrucht kan worden gesteld dat verweerder een dergelijke termijn niet in redelijkheid had kunnen stellen.

2.6. Verzoekster sub 1 stelt dat de calamiteitenregeling ten onrechte pas drie maanden nadat het ongewone voorval heeft plaatsgevonden, treffende maatregelen vergt.

2.6.1. De Voorzitter overweegt dat in het aan de vergunning verbonden voorschrift 9, eerste lid, vergunninghoudster wordt verplicht om, indien als gevolg van een ongewoon voorval nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, onmiddellijk maatregelen te treffen ten einde een nadelige beïnvloeding van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken en/of ongedaan te maken. De grond van verzoekster sub 1 mist dus feitelijke grondslag. De termijn van drie maanden geldt ingevolge voorschrift 9, derde lid, voor het verstrekken van informatie aan de waterkwaliteitsbeheerder over de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een ongewoon voorval zich nogmaals kan voordoen. De Voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder een dergelijke termijn niet in redelijkheid had kunnen stellen.

2.7. Verzoekster sub 3 stelt dat bij het bestreden besluit ten onrechte de krachtens de Wvo verleende vergunning uit 1993 is ingetrokken. Volgens verzoekster is dat niet nodig, nu volgens haar, analoog aan de regels uit de Wet milieubeheer, een revisievergunning een eerder krachtens de Wvo verleende vergunning vervangt, waarbij de eerdere vergunning vervalt op het tijdstip waarop de nieuw verleende vergunning onherroepelijk wordt.

2.7.1. De Voorzitter overweegt dat in artikel 7, vijfde lid, van de Wvo diverse artikelen uit hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, doch niet artikel 8.4 van de Wet milieubeheer, waarop verzoekster sub 3 doelt. Derhalve kan in het kader van de Wvo geen sprake zijn van het verlenen van een revisievergunning en daarmee ook niet van het ex lege vervallen van een eerder verleende vergunning.

2.8. Verzoekster sub 3 stelt dat verweerder met betrekking tot de intrekking van de oude vergunning ten onrechte niet de procedure van afdeling 8.1.2 heeft gevolgd.

2.8.1. Ingevolge artikel 7a van de Wvo is met betrekking tot het wijzigen en intrekken van een vergunning afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder, indien het belang van de bescherming van het milieu (lees: de kwaliteit van het oppervlaktewater) zich daartegen niet verzet.

Ingevolge artikel 8.26, vierde lid, van de Wet milieubeheer is met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2.8.2. De Voorzitter overweegt dat de aanvraag om vergunning van september 2002, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, tevens dient te worden beschouwd als een (impliciet) verzoek om intrekking van de vergunning uit 1993. Uit de hiervoor geciteerde wetsbepalingen kan worden afgeleid dat verweerder daarom ten aanzien van het besluit tot intrekking van de vergunning uit 1993, paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht had moeten toepassen. Verweerder heeft ten aanzien van het bestreden besluit evenwel de procedure van de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd. Nu deze procedure uitgebreider is dan die van paragraaf 3.5.6, is de Voorzitter van oordeel dat
verzoekster sub 3 hierdoor niet is benadeeld.

Voorzover verzoekster sub 3 ter zitting nog heeft gesteld dat hij in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen met betrekking tot het besluit tot intrekking van de vergunning uit 1993, overweegt de Voorzitter dat dit artikel ziet op een belanghebbende die de betreffende beschikking niet heeft aangevraagd. Zoals hiervoor is overwogen, moet er van worden uitgegaan dat verzoekster sub 3 met het indienen van de aanvraag om een nieuwe vergunning impliciet heeft verzocht om intrekking van de oude vergunning. Gelet hierop was artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht in dit geval niet van toepassing.

2.9. Verzoekster sub 3 stelt dat de wijzigingen van voorschrift 6, tweede lid, ten opzichte van het ontwerp van het besluit beschouwd moeten worden als een ambtshalve wijziging van de vergunning uit 1993 en de daaraan verbonden voorschriften. Volgens verzoekster had de daarvoor geëigende procedure gevolgd moeten worden.

2.9.1. De Voorzitter overweegt dat het verweerder in beginsel vrij staat om de voorschriften van de verleende vergunning anders te laten luiden dan in het ontwerp van het besluit nog het geval was. Van een wijziging van de vergunning uit 1993 is in dit geval geen sprake: die vergunning is bij het bestreden besluit ingetrokken.

2.10. Verzoekster sub 3 stelt dat zij aanmerkelijk wordt benadeeld door de omstandigheid dat de verleende vergunning niet toestaat dat pneumatisch met verf wordt gespoten.

2.10.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat pneumatisch verfspuiten niet kan worden toegestaan. Indien verzoekster sub 3 verf wil spuiten, dient zij dit volgens verweerder tegelijkertijd bij zowel het bevoegd gezag ingevolge de Wet milieubeheer als het bevoegd gezag ingevolge de Wvo aan te vragen, waarna deze aanvragen gecoördineerd moeten worden behandeld.

2.10.2. Ingevolge artikel 7b, eerste lid, van de Wvo, voorzover hier van belang, wordt de aanvrage om verlening van een vergunning krachtens artikel 1, eerste lid, in een geval als bedoeld in artikel 8.28 van de Wet milieubeheer, ingediend tegelijk met de aanvraag om een vergunning krachtens de betrokken wet.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, wordt in een geval als bedoeld in het eerste lid de aanvraag in ieder geval buiten behandeling gelaten, indien de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer niet is ingediend binnen zes weken na het tijdstip waarop de aanvrage om verlening van de vergunning krachtens de Wvo is ingediend.

2.10.3. De Voorzitter overweegt dat het verzoekster sub 3 ingevolge de bij besluit van 29 augustus 1995 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning enkel is toegestaan om scheepshuiden te verven met behulp van een kwast of roller. Voor het spuiten van schepen zou verzoekster sub 3 derhalve een veranderingsvergunning moeten aanvragen. Ter zitting heeft verzoekster sub 3 erkend dat zij een dergelijke aanvraag nog immer niet heeft ingediend bij het bevoegd gezag. Gelet op artikel 7b, derde lid, van de Wvo had verweerder de aanvraag om vergunning op dit punt buiten behandeling moeten laten. Hoewel dat blijkens het verhandelde ter zitting niet is gebeurd, ziet de Afdeling in het vorenstaande in ieder geval aanleiding om af te zien van het treffen van een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat het verzoekster sub 3 alsnog is toegestaan om onder bepaalde voorwaarden pneumatisch met verf te spuiten. Op dit punt zal immers een gecoördineerde behandeling van de aanvragen plaats moeten vinden.

2.11. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Lap
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2003

288.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon