Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302952/1

Uitspraak 200302952/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:147
Datum uitspraak
13 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 januari 2002, kenmerk MD02.529, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 675,00 per dag dat het op grond van artikel 7, tweede lid, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen (hierna: het Besluit) als nadere eis geldende voorschrift D10 zoals dat was verbonden aan de voor de inrichting van verzoekster verleende Hinderwetvergunning van 11 juni 1986 wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 45.000,00.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302952/1.
Datum uitspraak: 13 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Het Zwarte Schaap B.V.", gevestigd te Groningen,
verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2002, kenmerk MD02.529, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 675,00 per dag dat het op grond van artikel 7, tweede lid, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen (hierna: het Besluit) als nadere eis geldende voorschrift D10 zoals dat was verbonden aan de voor de inrichting van verzoekster verleende Hinderwetvergunning van 11 juni 1986 wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 45.000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 8 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 23 mei 2003, kenmerk DI03.17481rb/lv, heeft verweerder het bezwaar van verzoekster deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 28 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2003, beroep ingesteld.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juni 2003, waar verzoekster bij monde van mr. B.N. Kloostra, advocaat te Groningen, en verweerder, vertegenwoordigd door W. Brandsma, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Uit artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende beroep, nu zij, nadat op haar bezwaar is beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, beroep heeft ingesteld.

2.3. De Voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, het beroep van verzoekster gedeeltelijk niet-ontvankelijk is.

2.4. Op 1 oktober 1998 is het Besluit in werking getreden. Het Besluit is een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Niet in geding is dat de inrichting van verzoekster kan worden aangemerkt als een horeca-inrichting als bedoeld in het Besluit.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Besluit blijven de nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens het Besluit horecabedrijven milieubeheer gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid.

In artikel 5, eerste lid, van het Besluit is, voorzover hier van belang, geluid als onderwerp genoemd.

Niet in geding is dat de inrichting tot 1 oktober 1998 viel onder het Besluit horecabedrijven milieubeheer.

Ingevolge artikel 2.13 van bijlage I bij het Besluit horecabedrijven milieubeheer, voorzover hier van belang, geldt voor een inrichting die reeds is opgericht vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en waarvoor een vergunning krachtens de Hinderwet is verleend, waaraan voorschriften zijn verbonden ten aanzien van gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden genomen, met ingang van het tijdstip waarop de voorschriften in deze bijlage van toepassing worden het in die vergunningvoorschriften bepaalde als nadere eis.

Ingevolge voorschrift D10 van de Hinderwetvergunning van 11 juni 1986 moeten deuren en ramen en voorpui gesloten worden gehouden tijdens hinderlijke of geraasmakende werkzaamheden of tijdens het gebruik van de muziekregelinstallatie. De deuren mogen alleen zijn geopend voor het onmiddellijk doorlaten van goederen en/of personen.

2.4.1. Verzoekster heeft aangevoerd dat het besluit in primo ten onrechte is gebaseerd op artikel 2.13 van bijlage I bij het Besluit horecabedrijven milieubeheer omdat dit Besluit ten tijde van het nemen van het besluit in primo niet meer gold. Verder heeft zij betoogd dat voorschrift D10 niet past in het kader van artikel 5 van het Besluit.

2.4.2. Voorschrift D10 is in de Hinderwetvergunning van 11 juni 1986 opgenomen onder het hoofdstuk geluidvoorschriften. Het voorschrift betreft een gedragsregel die in acht moet worden genomen om te kunnen voldoen aan de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden en is daarmee een voorschrift dat betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, van het Besluit, te weten geluid.

Gelet op de voornoemde voorschriften, in samenhang bezien, is verweerder er op goede gronden van uitgegaan dat voorschrift D10 voor de inrichting op grond van het Besluit geldt als nadere eis. Niet bestreden is dat voorschrift D10 is overtreden, zodat verweerder bevoegd was tot het treffen van de betwiste last onder dwangsom.

2.5. Voorzover verzoekster heeft betoogd dat verweerder in redelijkheid geen last onder dwangsom heeft kunnen opleggen omdat nu de inrichting voor de periode van 1 maart tot en met 31 oktober 2003 over een terrasvergunning beschikt voorschrift D10 de bedrijfsvoering onmogelijk maakt, wijst de Voorzitter er op dat ingevolge artikel 5, derde lid, van het Besluit nadere eisen kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Verzoekster kan hiertoe een verzoek tot verweerder richten. De Voorzitter ziet in dit betoog geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opleggen van de bestreden last onder dwangsom.

2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. De Vink
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2003

154.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon