Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200301334/1 en 200301334/2

Uitspraak 200301334/1 en 200301334/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:150
Datum uitspraak
11 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 december 2002, kenmerk MW02.28337, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante vergunning geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van het bewaren van (wegen)bouwstoffen, alsmede het produceren van granulaten uit bouw- en sloopafval, gevestigd aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […] (gedeeltelijk). Dit aangehechte besluit is op 24 januari 2003 ter inzage gelegd.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200301334/1 en 200301334/2.
Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [appellante], gevestigd te [plaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2002, kenmerk MW02.28337, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante vergunning geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van het bewaren van (wegen)bouwstoffen, alsmede het produceren van granulaten uit bouw- en sloopafval, gevestigd aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […] (gedeeltelijk). Dit aangehechte besluit is op 24 januari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 maart 2003.
Bij brief van 28 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2003, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Koenen, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door G.A.F.V.M. Penders en M. Rudolph, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn als partij gehoord [partij] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellante kan zich er niet mee verenigen dat verweerder bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting is uitgegaan van een grenswaarde voor het equivalente geluidniveau (LAeq) van 47 dB(A) voor de dagperiode. Gelet op jurisprudentie van de Afdeling en de bestemming van het perceel waarop de inrichting zich bevindt, had verweerder bij het vaststellen van de grenswaarde volgens appellante niet onverkort mogen vasthouden aan de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) aanbevolen richtwaarden. Bovendien heeft appellante bij het opnemen in de aanvraag van de door haar te nemen maatregelen ter reductie van geluidhinder rekening gehouden met de destijds door verweerder verlangde reductie tot 50 dB(A). Verweerder heeft volgens appellante ten onrechte niet gemotiveerd waarom hij vervolgens bij het opstellen van de vergunning is uitgegaan van een vereiste reductie tot 47 dB(A). Verweerder heeft volgens appellante ook ten onrechte niet gemotiveerd waarom hij het in de bedenkingen naar voren gebrachte feit dat het inmiddels wel mogelijk is om een geluidwal op het terrein van de inrichting te plaatsen waardoor aan de geluidgrenswaarde van 47 dB(A) kan worden voldaan, niet heeft meegenomen bij het definitieve besluit. Appellante betoogt verder dat verweerder in strijd met het vermelde in de Handreiking ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de gevelreflectie is betrokken in de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting. Ten slotte betoogt appellante dat, zoals in de bedenkingen door haar aangevoerd, verweerder de vergunning ook gedeeltelijk had kunnen weigeren omdat de activiteiten op het hier in het geding zijnde perceel worden afgebouwd. Door een reductie van de breekactiviteiten tot vier uur per dag zou volgens appellante de geluidhinder vanwege de inrichting aanzienlijk worden verminderd.

2.3. Verweerder heeft bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting hoofdstuk 4 van de Handreiking als uitgangspunt genomen. Onweersproken is dat de omgeving van de inrichting kan worden gekarakteriseerd als landelijke omgeving. Voor afwijking van deze karakterisering vanwege de bestemming van het perceel waarop de inrichting is gelegen, ziet de Voorzitter geen aanleiding. De in de Handreiking aanbevolen richtwaarde bij het opstellen van geluidvoorschriften voor een landelijke omgeving bedraagt 40dB(A) voor de dagperiode. Overschrijding van deze richtwaarde is blijkens de Handreiking mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

Niet in geschil is dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid 47dB(A) bedraagt. De Voorzitter overweegt dat verweerder zich, gelet op het ALARA-beginsel dat is neergelegd in artikel 8:11, derde lid, van de Wet milieubeheer, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een verdere overschrijding van deze richtwaarde in het onderhavige geval niet wordt toegestaan. Dat verweerder ten tijde van het opstellen van de aanvraag hogere geluidgrenswaarden dan 47 dB(A) voor de dagperiode op sommige immissiepunten wel aanvaardbaar achtte en die in de vergunning van 7 september 1999 heeft vergund, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit besluit door de Afdeling op 28 november 2001 is vernietigd.

Wat het door appellante eerst in de bedenkingen gemelde feit betreft dat inmiddels een geluidwal op het terrein van de inrichting kan worden geplaatst waardoor aan de geluidgrenswaarde van 47dB(A) kan worden voldaan, overweegt de Voorzitter dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat dat niet in de besluitvorming kon worden betrokken, omdat daarmee de grondslag van de aanvraag zou worden verlaten, hetgeen in strijd is met het stelsel van de Wet milieubeheer. Ten aanzien van de eerst in de bedenkingen gemelde omstandigheid dat in verband met het afbouwen van de activiteiten de vergunning ook voor minder dan het aangevraagde aantal uren per dag had kunnen worden verleend, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het door appellante voorgestane aantal uren voor breekactiviteiten een zodanige beperking van het aangevraagde aantal uren voor die activiteiten zou betekenen, dat dit feitelijk neerkomt op een impliciete weigering van de gevraagde vergunning, wat zich evenmin verdraagt met het stelsel van de Wet milieubeheer.

Wat het betoog van appellante betreft dat de gevelreflectie ten onrechte in de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting is betrokken, overweegt de Voorzitter het volgende. Gelet op het gehanteerde toetsingskader had verweerder behoren te motiveren waarom hij de gevelreflectie in de beoordeling van de geluidhinder heeft betrokken. Onweersproken is echter dat ook indien de gevelreflectie niet zou zijn meegenomen, de geluidreductie ten gevolge daarvan onvoldoende zou zijn om aan de geluidgrenswaarde van 47 dB(A) te kunnen voldoen. De Voorzitter is daarom van oordeel dat deze grond niet kan slagen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de in het bestreden besluit bepaalde grenswaarde voor het equivalente geluidniveau (LAeq) niet kan worden nageleefd. Verweerder heeft de vergunning derhalve terecht in het belang van de bescherming van het milieu geweigerd.

De Voorzitter merkt op dat denkbaar zou zijn dat verweerder appellante in de gelegenheid zou hebben gesteld om de aanvraag aan te passen of een nieuwe aanvraag in te dienen waarin de nieuwe feiten en omstandigheden hadden kunnen worden opgenomen. Niet kan echter worden gesteld dat verweerder, door dit na te laten, het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft voorbereid dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met het recht. Verweerder heeft wel ter zitting toegezegd binnenkort na overleg met partijen een gedoogbeschikking onder voorwaarden te zullen nemen.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Heijerman
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

255-415.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon