Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200301763/2

Uitspraak 200301763/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:BI0499
Datum uitspraak
11 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 4 februari 2003, kenmerk WM 15120, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Venlo, Dienst Stadsbeheer, een tijdelijke vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de opslag van schone en categorie 1 grond (waaronder zand, humeus zand en grind) alsmede andere grond, gelegen op de percelen Newtonweg (ongenummerd) te Venlo, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie K, nummers 5904 (gedeeltelijk) en 1625 (gedeeltelijk). Dit besluit is op 7 februari 2003 ter inzage gelegd.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200301763/2.
Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Collin B.V.", gevestigd te Venlo,
verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2003, kenmerk WM 15120, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Venlo, Dienst Stadsbeheer, een tijdelijke vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de opslag van schone en categorie 1 grond (waaronder zand, humeus zand en grind) alsmede andere grond, gelegen op de percelen Newtonweg (ongenummerd) te Venlo, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie K, nummers 5904 (gedeeltelijk) en 1625 (gedeeltelijk). Dit besluit is op 7 februari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 19 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per telefaxbericht, beroep ingesteld.
Bij brief van 19 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per telefaxbericht, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 april 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.G.J. Klerken en ing. M.G. Adolfsen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat betrekking heeft op de strijdigheid van de aanvraag met artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en op de strijdigheid van het bestreden besluit met de artikelen 1.1a en 10.1 van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Verzoekster heeft de gronden inzake strijdigheid van de aanvraag met artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en strijdigheid van het bestreden besluit met de artikelen 1.1a en 10.1 van de Wet milieubeheer niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verzoekster redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Gelet op artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer gaat de Voorzitter er daarom vanuit dat de Afdeling het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. De Voorzitter ziet in zoverre dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. Verzoekster voert aan dat de grondstroomcoördinator, die de aanvraag om een milieuvergunning heeft ondertekend, niet bevoegd was om namens de gemeente dan wel verweerder een vergunning aan te vragen.

2.3.1. De Voorzitter stelt vast dat noch in de Wet milieubeheer noch in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) een bepaling is opgenomen waarin is geregeld door wie een vergunning moet worden aangevraagd. In artikel 5.1, eerste lid, van het Ivb is bepaald welke gegevens in of bij de aanvraag om vergunning moeten worden vermeld. De aanvrager moet onder meer zijn naam en adres (onder a), het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de inrichting (onder b) vermelden. Vaststaat dat aan deze vereisten is voldaan. In artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, is bepaald dat een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor ieder die de inrichting drijft. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de milieuvergunning niet door de grondstroomcoördinator had mogen worden aangevraagd.

Op dit punt ziet de Voorzitter geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. Verzoekster stelt dat de partijen grond die in de inrichting worden ingenomen en die asbest, klein chemisch afval en puin kunnen bevatten, afvalstoffen zijn. Voor het verlenen van een vergunning voor de opslag dan wel het storten van deze afvalstoffen in de inrichting is volgens verzoekster, gelet op de categorieën 28.4, aanhef en onder a, sub 3°, en 28.4, aanhef en onder f, van Bijlage I van het Ivb, niet verweerder maar het college van gedeputeerde staten van Limburg het bevoegd gezag.

2.4.1. De in de inrichting ingenomen partijen grond zijn afkomstig van civieltechnische werken binnen de gemeente Venlo. Voorafgaande aan de aanvang van een werk wordt de kwaliteit van de hierbij vrijkomende grond bemonsterd in het kader van de Wet bodembescherming. Indien de grond niet zo verontreinigd is dat sanering in het kader van de Wet bodembescherming dient plaats te vinden, wordt de grond zoveel mogelijk in het werk hergebruikt. De grond die niet bij het werk kan worden toegepast, wordt afgevoerd naar de onderhavige inrichting, waar de grond wordt ingenomen als “vermeende” schone grond of als categorie 1 grond. Het “vermeende” van een bepaalde partij grond vloeit voort uit de omstandigheid dat een bemonstering in het kader van de Wet bodembescherming niet als bewijsmiddel geldt op basis waarvan aan een partij grond een categorie aanduiding kan worden gegeven op grond van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (hierna: het Bsb). De bemonstering kan slechts een indicatie geven voor de categorie aanduiding. In de inrichting wordt de grond vervolgens gekeurd volgens het Bsb en wordt definitief uitsluitsel gegeven over de categorie aanduiding van een bepaalde partij grond. Ter zitting is verder gebleken dat de ingenomen partijen grond die puin bevatten, worden getransporteerd naar een naburig bedrijf, waar het puin uit de grond wordt gezeefd. Deze grond wordt vervolgens weer in de inrichting opgeslagen.

In de aanvraag is vermeld dat de maximale opslagcapaciteit van schone grond en categorie 1 grond in de zin van het Bsb respectievelijk 100.000 m3 en minder dan 10.000 m3 bedraagt. Ook wordt grond in de inrichting ingenomen die niet voldoet aan de kwalificatie van categorie 1 grond vanwege het gehalte aan minerale olie, maar die wel geschikt is voor toepassing in een gemeentelijk project. Voorts kan het voorkomen dat de indicatie van de grond in het kader van de Wet bodembescherming onjuist is en een partij grond moet worden aangemerkt als een categorie 2 grond in de zin van het Bsb. Gelet op de aanvraag en het verhandelde ter zitting zal de opslagcapaciteit van categorie 1 grond, de grond die zal worden toegepast in het gemeentelijke project en de eventuele aanwezige categorie 2 grond tezamen minder dan 10.000 m3 bedragen.

2.4.2. De Voorzitter acht het aangewezen dat de vraag of de partijen grond die in de inrichting worden ingenomen onder deze omstandigheden, in het licht van hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 15 juni 2000 in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 (AB 2000, 311) voor recht heeft verklaard, moeten worden aangemerkt als afvalstoffen, in het geding in de bodemprocedure wordt beoordeeld. Deze vraag behoeft nader onderzoek naar de feiten waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent.

In afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure gaat de Voorzitter er van uit dat de partijen schone grond die in de inrichting worden opgeslagen, geen afvalstoffen zijn. Wat de andere partijen grond betreft overweegt de Voorzitter dat, daargelaten of deze als afvalstoffen moeten worden beschouwd, de opslagcapaciteit van deze soorten grond in ieder geval de genoemde hoeveelheid uit categorie 28.4, aanhef en onder a, sub 3°, van Bijlage I van het Ivb niet overschrijdt. Evenmin bestaat grond voor het oordeel, gelet op het verhandelde ter zitting, dat sprake is van het storten van afvalstoffen in de zin van categorie 28.4, aanhef en onder f, van Bijlage I van het Ivb. Ter zitting is voorts gebleken dat astbest en klein chemisch afval onmiddellijk zullen worden verwijderd, zodat ook niet kan worden gesteld dat sprake is van een inrichting bestemd voor opslag van gevaarlijke afvalstoffen.

Voorshands ziet de Voorzitter dan ook onvoldoende aanleiding om te oordelen dat verweerder niet bevoegd was te beslissen op de aanvraag om vergunning. In zoverre ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Verzoekster stelt verder dat in de inrichting partijen grond worden gemengd, waardoor nieuwe afvalstoffen ontstaan. Zij betoogt dat verweerder de aanvraag niet in behandeling had mogen nemen, onder meer omdat hierin ten onrechte is vermeld dat geen afvalstoffen binnen de inrichting ontstaan en de afvalstromen niet zijn beschreven. Voorts heeft verweerder, aldus verzoekster, door die miskenning gehandeld in strijd met de artikelen 8.8 en 8.14 van de Wet milieubeheer.

2.5.1. Vaststaat dat de partijen grond worden aangevoerd, opgeslagen in de inrichting en weer afgevoerd. Ter zitting is gebleken dat meerdere partijen door vrachtwagens aangevoerde grond afkomstig van hetzelfde werk met een shovel worden opgehoopt en op dezelfde plek worden opgeslagen. Niet aannemelijk is geworden dat partijen grond van verschillende kwaliteit met elkaar worden gemengd. Bovendien wordt de begin- en eindsituatie binnen het depot na storting van de (meerdere partijen van) ingenomen grond gecontroleerd en vinden controlebezoeken, afhankelijk van het aantal vervoersbewegingen en projecten, één tot drie keer per dag plaats. In dit bezwaar ziet de Voorzitter derhalve geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Verzoekster voert aan dat niet duidelijk is voor welke activiteiten dan wel soorten grond vergunning is verleend, aangezien na acceptatie van partijen vermeende grond kan blijken dat de geaccepteerde grond meer verontreinigd is dan op grond van de indicatie in het kader van de Wet bodembescherming is aangenomen dan wel hierin asbest of klein chemisch afval kan voorkomen.

2.6.1. De Voorzitter stelt vast dat vergunning is verleend voor de opslag van vermeend schoon zand, grind en humeus zand, vermeend categorie 1 zand, grond, grind en humeus zand, en grond die geschikt is voor toepassing in het bodembeheerplan Weselseweg (AZC-terrein).

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat bij uitzondering de indicatie die aan een partij grond is gegeven na analyse hiervan in het kader van de Wet bodembescherming niet overeenkomt met de categorie aanduiding die aan deze grond wordt gegeven op grond van het Bsb. Met betrekking tot asbest stelt verweerder zich op het standpunt dat in grond kleine hoeveelheden asbest mag voorkomen. De Voorzitter ziet voorshands geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze standpunten onjuist zijn.

Gelet op het bovenstaande is voldoende duidelijk voor welke activiteiten vergunning is verleend en welke soorten grond in de inrichting mogen worden opgeslagen. Dat mogelijkerwijs kleine hoeveelheden klein chemisch afval in de partijen grond kunnen worden aangetroffen maakt het voorgaande niet anders.

In zoverre ziet de Voorzitter tevens geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Verzoekster stelt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten bodembeschermende maatregelen voor te schrijven.

2.7.1. De Voorzitter is niet aannemelijk geworden dat het in werking zijn van de inrichting, gegeven de aan de vergunning verbonden voorschriften, zulke nadelige gevolgen voor de bodem heeft dat thans in verband daarmee het verzoek moet worden ingewilligd.

2.8. Ook in hetgeen verzoekster voor het overige heeft aangevoerd ligt naar het oordeel van de Voorzitter geen onverwijlde spoed besloten die vergt dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen in afwchting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat, nu niet aannemelijk is geworden dat er een acuut gevaar bestaat voor bodemverontreiniging tengevolge van het in werking zijn van de inrichting, het belang van vergunninghoudster naar zijn oordeel dient te prevaleren boven het belang van verzoekster bij schorsing van het bestreden besluit. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Heijerman
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

255-372.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon