Uitspraak 202204944/1/R3 en 202204944/2/R3


Volledige tekst

202204944/1/R3 en 202204944/2/R3.
Datum uitspraak: 16 november 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te Nijverdal, gemeente Hellendoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 juli 2022 in zaak nr. 21/1219 in het geding tussen onder meer:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2021 heeft het college aan Novec B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een telecommast op het bosperceel dat grenst aan Veenweg 10 te Nijverdal (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 juli 2021 heeft het college het bezwaar van [verzoeker] ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten.

Bij uitspraak van 27 juli 2022 heeft de rechtbank Overijssel het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] en Novec B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 25 oktober 2022, waar [verzoeker], en het college, vertegenwoordigd door P. Drent en R.J. Kuiper, zijn verschenen. Verder is op de zitting Novec B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden] als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.       Novec B.V. heeft een aanvraag bij het college ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een telecommast. De hoogte van de mast bedraagt ongeveer 40 m. Het college heeft de omgevingsvergunning bij besluit van 24 maart 2021 verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), in verbinding met artikel 18, aanhef en onder e, van de regels van het bestemmingsplan "Hulsen en Kruidenwijk", vastgesteld door de raad op 18 juni 2013.

3.       In dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Bos". Het bouwen van een telecommast op het perceel is in strijd met artikel 5.2, onder b, van de planregels, omdat de telecommast hoger is dan 3 m. Op grond van artikel 18, aanhef en onder e, van de planregels kan het college afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen van een antennemast tot een bouwhoogte van 40 m.

4.       [verzoeker] woont aan de rand van de Kruidenwijk in de nabije omgeving van de telecommast. Hij vreest voor gezondheidsproblemen door het gebruik van de telecommast en stelt dat er betere alternatieve locaties zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Procedureel

5.       [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld binnen de hoger beroepstermijn die eindigde op 8 september 2022. Hij heeft tot 13 oktober 2022 de gelegenheid gekregen om zijn hoger beroep te voorzien van een motivering. De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoeker] zijn hoger beroep heeft gemotiveerd in een stuk van 28 september 2022. In dit stuk schrijft [verzoeker] dat hij ook hoger beroep instelt namens [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C] en [verzoeker D]. Zoals op de zitting is besproken is het stuk van 28 september 2022 ingediend nadat de hogerberoepstermijn is geëindigd. Het op die datum door [verzoeker] beweerdelijk ingestelde beroep namens de hiervoor genoemde anderen is dus te laat ingesteld. Dit laat onverlet dat het hoger beroep van [verzoeker] ontvankelijk is en dat wat [verzoeker] in de motivering van zijn hoger beroep en nadere stukken naar voren heeft gebracht, inhoudelijk aan de orde zal komen.

Volksgezondheid

6.       [verzoeker] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen vanwege de gevolgen voor de volksgezondheid door de blootstelling aan elektromagnetische velden. Hij heeft twee stukken overgelegd, namelijk het antenneconvenant 2021-2025 en een krantenartikel van 29 juni 2022. In het krantenartikel staat dat recent wetenschappelijk onderzoek volgens de Gezondheidsraad een extra argument geeft voor voorzorgbeleid rond hoogspanningslijnen in verband met de magnetische velden rond hoogspanningslijnen. In het artikel staat dat er aanwijzingen zijn gevonden voor een verhoogd risico op leukemie en op enkele andere onderzochte vormen van kanker en neurologische aandoeningen op de werkvloer, waar de blootstelling aan magnetische velden hoger kan zijn dan in de woonomgeving.

6.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college in de door [verzoeker] gestelde gezondheidsrisico’s geen reden heeft hoeven zien om de omgevingsvergunning te weigeren, gelet op een advies van de vaste Commissie Elektromagnetische velden van de Gezondheidsraad (hierna: de commissie) van 2 september 2020. Bij haar oordeel heeft de rechtbank verder in aanmerking genomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden blootstellingslimieten zijn opgesteld die in Nederland worden gehandhaafd door het Agentschap Telecom. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat niet binnen deze blootstellingslimieten kan worden gebleven, als de telecommast wordt gebruikt om daarin antenne-installaties te hangen, ook niet als deze bestemd zijn voor 5G.

6.2.    In het advies van de commissie van 2 september 2020 staat dat er nu nog geen onderzoeken bestaan naar de invloed op de gezondheid van (langdurige) blootstelling aan elektromagnetische velden met de frequenties die voor 5G zijn gereserveerd. De commissie heeft daarom geïnventariseerd of er een samenhang bekend is tussen enerzijds blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden en anderzijds het optreden van ziekten en aandoeningen. Voor geen van de ziekten en aandoeningen die de commissie heeft onderzocht, zoals het optreden van kanker en verminderde mannelijke vruchtbaarheid, acht de commissie de samenhang tussen blootstelling en de ziekte of de aandoening aangetoond of waarschijnlijk. De commissie ziet geen reden om het gebruik van lagere frequentiebanden voor 5G (tot 3,5 GHz) te stoppen of te beperken.

6.3.    Het oordeel van de rechtbank dat het college in de door [verzoeker] gestelde gezondheidsrisico’s geen reden heeft hoeven zien om de omgevingsvergunning te weigeren, onderschrijft de voorzieningenrechter geheel. In wat [verzoeker] naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen  aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het advies van de commissie aan het besluit ten grondslag kon leggen. Het krantenartikel dat [verzoeker] heeft overgelegd gaat over de risico’s op kanker en neurologische aandoeningen in verband met de magnetische velden rond hoogspanningslijnen. Het artikel gaat niet over de gevolgen van blootstelling aan elektromagnetische velden met de frequenties die voor 5G zijn gereserveerd. [verzoeker] heeft verder niet geconcretiseerd waarom het antenneconvenant 2021-2025 aanleiding moet geven om te oordelen dat het oordeel van de rechtbank over de gezondheidsrisico’s niet kan worden gevolgd.

Het betoog slaagt niet.

Alternatieven

7.       [verzoeker] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er betere alternatieve locaties bestaan voor de telecommast. Hij heeft onder meer gewezen op plaatsing van antennes in bestaande masten op bedrijventerreinen.

7.1.    Het college moet beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, zoals daarvoor omgevingsvergunning is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:787, onder 7.2).

7.2.    Novec en het college hebben op de zitting toegelicht dat met plaatsing van antennes in bestaande masten op bedrijventerreinen geen gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. In de eerste plaats is er volgens Novec en het college onvoldoende capaciteit om nieuwe antennes te plaatsen in de bestaande masten op bedrijventerreinen. Verder hebben zij toegelicht dat die locaties te ver van de Kruidenwijk zijn om daar een goede dekking te realiseren. Eén van de door [verzoeker] genoemde locaties betreft een hoogspanningsmast op een bedrijventerrein die volgens Novec en het college niet geschikt is, omdat het moeilijk is om storingen te voorkomen in een hoogspanningsmast. De overige door [verzoeker] genoemde locaties zijn volgens het college niet geschikt, omdat die locaties zijn gelegen in een open landschap en plaatsing van een telecommast de landschappelijke openheid op een voor het college onaanvaardbare wijze zou aantasten.

7.3.    De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat het college hiermee toereikend heeft gemotiveerd waarom met de door [verzoeker] genoemde alternatieven voor plaatsing van de telecommast geen gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie en proceskosten

8.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9.       Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.

w.g. Van Diepenbeek
voorzieningenrechter

w.g. Priem
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2022

646