Uitspraak 200302578/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:154
- Datum uitspraak
- 6 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 februari 2003, kenmerk EMT/2003/546, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer (hierna: Wm) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Twence B.V.” een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een afvalverwerkingsinrichting (locatie Elhorst-Vloedbelt, gemeente Borne) op het perceel Almelosestraat 3 te Zenderen. Dit besluit is op 14 maart 2003 ter inzage gelegd.
- Voorlopige voorziening
- Afval
Toon inhoud
200302578/2.
Datum uitspraak: 6 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
1. de stichting "Stichting behoud Elhorst-Vloedbelt", gevestigd te Zenderen,
2. het college van burgemeester en wethouders van Borne,
3. de stichting "Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen", gevestigd te Zenderen, en anderen,
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2003, kenmerk EMT/2003/546, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer (hierna: Wm) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Twence B.V.” een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een afvalverwerkingsinrichting (locatie Elhorst-Vloedbelt, gemeente Borne) op het perceel Almelosestraat 3 te Zenderen. Dit besluit is op 14 maart 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekster sub 1 bij brief van 22 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2003, verzoeker sub 2 bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en verzoekers sub 3 bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2003, beroep ingesteld.
Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft verzoekster sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2003, aangevuld bij telefaxbericht van 12 mei 2003, hebben verzoekers sub 3 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 23 mei 2003, waar verzoekster sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], verzoeker sub 2, vertegenwoordigd door P.T. Knol en ing. A.M. Velthuis, ambtenaren van de gemeente, en [deskundige], en verzoekers sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is verweerder, vertegenwoordigd door J.H.W. Boerman, ing. A. Pap en ing. J.J. Dop, ambtenaren van de provincie, verschenen. Verder is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [directeur], [deskundigen], daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. De inrichting betreft onder meer een stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, waarvoor eerder bij besluit van 15 maart 1988, gewijzigd bij besluiten van 7 september 1993 en 28 november 1995, krachtens de Afvalstoffenwet een vergunning voor een periode van tien jaar is verleend. Aangezien deze vergunning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was vervallen, heeft verweerder opnieuw een oprichtingsvergunning voor de inrichting verleend. De inrichting omvat naast stortcompartimenten onder andere een overlaadstation, een voorzieningengebouw, apparatuur voor het affakkelen van stortgas en een afvalwaterbehandelingsinstallatie voor het behandelen van percolaat.
2.3. Verzoekers stellen dat met name in verband met geur- en geluidhinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting onverwijlde spoed vereist dat, in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure, het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening wordt geschorst. Verder voeren verzoekers sub 1 en 3 bezwaren van formele aard aan, op grond waarvan naar hun mening het bestreden besluit voor schorsing in aanmerking moet komen.
2.4. Verzoekers sub 1 en 3 stellen allereerst dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de bedenkingen van de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen.
De Voorzitter stelt vast dat het ontwerp van het besluit tweemaal ter inzage heeft gelegen. Tegen zowel het eerste, als het tweede ontwerp-besluit zijn bedenkingen ingebracht. Verweerder is in de considerans van het bestreden besluit uitvoering ingegaan op de tegen het tweede ontwerp-besluit ingebrachte bedenkingen. Daarnaast zijn bij de besluitvorming, zo is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken, de bedenkingen tegen het eerste ontwerp-besluit, waaronder die van de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen, betrokken en hebben deze zelfs aanleiding gegeven tot nader onderzoek. Hoewel verweerder zijn overwegingen omtrent de bedenkingen van de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen niet expliciet in het bestreden besluit heeft vermeld, valt niet in te zien dat belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld, nu de substantiële bezwaren die de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen blijkens het verhandelde ter zitting tegen de vergunningverlening heeft, door verweerder bij de besluitvorming zijn meegenomen.
2.5. Verzoekers sub 1 en 3 stellen verder dat ten onrechte geen niet op naam gestelde kennisgeving van het ontwerp-besluit is gezonden aan [bewoner] van de [locatie], en aan de [gebruiker] van een landbouwschuur in de directe omgeving van de inrichting. Hierdoor heeft verweerder in strijd met artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wm gehandeld, aldus verzoekers sub 1 en 3.
2.5.1. De Voorzitter stelt op grond van de stukken, waaronder een in het kader van de voorbereidingsprocedure door verweerder opgestelde verzendlijst, en het verhandelde ter zitting vast dat een niet op naam gestelde kennisgeving van het ontwerp-besluit per post is verzonden aan de [gebruikers] van het adres [locatie]. Ter zitting is gebleken dat deze kennisgeving drie dagen later door de PTT Post aan verweerder is geretourneerd met de aanduiding “vertrokken”. De Voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat dit bericht van de PTT Post verweerder aanleiding had moeten geven tot het verrichten van nader onderzoek omtrent de reden van terugkomst van de kennisgeving. Dat, zoals verzoekers sub 1 en 3 stellen, de kennisgeving niet is aangekomen omdat verweerder een verouderde postcode heeft gehanteerd, kan – wat van deze stelling verder ook zij – verweerder evenmin worden tegengeworpen, nu deze postcode blijkens de internet-site van TPG Post nog altijd correspondeert met het adres [locatie] en niet is gebleken dat hiervan geen gebruik meer kan worden gemaakt.
Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Voorzitter niet worden geoordeeld dat verweerder in strijd met artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wm heeft gehandeld.
2.5.2. Voorzover verzoekers sub 1 en 3 hebben gesteld dat ten onrechte geen kennisgeving is gestuurd aan de heer Werning, overweegt de Voorzitter dat zij niet hebben aangetoond, noch anderszins is komen vast te staan dat de heer Werning, die overigens geen beroep en verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend en met wie verzoekers sub 1 en 3 blijkens het verhandelde ter zitting niet persoonlijk bekend zijn, een gebouwd eigendom in de zin van artikel 13.4 van de Wm in gebruik heeft. Voorshands bestaat dan ook in zoverre geen grond om te oordelen dat verweerder in strijd met artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wm heeft gehandeld.
2.6. Verzoekers sub 3 betogen verder dat de ontwerpen van de besluiten inzake de vergunningverlening krachtens de Wm en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) niet gelijktijdig ter inzage hebben gelegen.
Ingevolge artikel 14.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wm dragen gedeputeerde staten er ten minste zorg voor dat van de ontwerpen van de betrokken beschikkingen zoveel mogelijk gezamenlijk overeenkomstig artikel 3:19 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 13.4 van de Wm mededeling wordt gedaan.
De Voorzitter overweegt dat blijkens de stukken verweerder beide vergunningaanvragen gecoördineerd heeft behandeld, het ontwerp-besluit inzake de Wvo-vergunning gelijktijdig met het eerste ontwerp-besluit inzake de Wm-vergunning op het gemeentehuis van Borne ter inzage heeft gelegd en aandacht heeft geschonken aan de inhoudelijke afstemming tussen de definitieve vergunningen. Weliswaar heeft het ontwerp-besluit inzake de Wvo-vergunning niet opnieuw ter inzage gelegen na de vaststelling van het tweede ontwerp-besluit inzake de Wm-vergunningverlening, doch in deze omstandigheid, die aan afstemming van het bestreden besluit op de vergunning krachtens de Wvo niet in de weg stond en die aan de in de wet bedoelde afstemming geen afbreuk heeft gedaan, ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 14.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wm heeft gehandeld.
Voorts vindt de Voorzitter voor de stelling van verzoekster sub 1 dat de terinzagelegging van de betrokken besluiten tevens had moeten geschieden op het gemeentehuis van Almelo, gelet op artikel 13.4 van de Wm, geen steun in de toepasselijke wettelijke voorschriften.
2.7. Voorzover verzoekster sub 1 stelt dat het niet is toegestaan de aanvraag na de terinzagelegging ervan aan te vullen, overweegt de Voorzitter dat, wat van deze stelling ook zij, dit niet enig nadeel voor verzoekster sub 1 heeft opgeleverd nu de aanvraag tezamen met de aanvullingen en het ontwerp-besluit opnieuw ter inzage hebben gelegen.
2.8. Verzoekster sub 1 stelt voorts dat een drietal pagina’s met aanvullende informatie behorend bij het milieu-effectrapport (hierna: MER) niet in het kader van de besluitvormingsprocedure omtrent het MER openbaar zijn gemaakt.
Verweerder stelt onder verwijzing naar het toetsingsadvies over het MER van de Commissie over de milieueffectrapportage dat de aanvullende informatie als niet essentieel is beoordeeld voor de besluitvorming, nu deze betrekking heeft op Wvo-aspecten.
In aanmerking genomen de aard van de door verzoekster sub 1 bedoelde informatie, is de Voorzitter van oordeel dat verzoekster sub 1 dan wel andere derden niet in hun processuele belangen zijn geschaad doordat zij niet in de gelegenheid zijn geweest over de informatie op basis van de artikelen 7.23 en 7.24 van de Wm schriftelijk dan wel mondeling opmerkingen in te brengen in het kader van de inspraak over het MER.
2.9. Verzoekster sub 1 stelt verder dat het MER niet toereikend is. Zij voert hiertoe onder meer aan dat het meest milieuvriendelijke alternatief, zijnde het nulalternatief, niet is meegenomen.
De Voorzitter overweegt dat het door verzoekster sub 1 als meest milieuvriendelijk genoemde alternatief, mede gelet op de richtlijnen voor de inhoud van het MER, niet kan worden aangemerkt als alternatief in de zin van artikel 7.10, derde lid, van de Wm, zodat er in zoverre geen grond is voor het oordeel dat verweerder de aanvraag buiten behandeling had moeten laten. De Voorzitter overweegt voorts dat de Commissie over de milieueffectrapportage zich in haar advies over het MER op het standpunt heeft gesteld dat de essentiële informatie in het MER aanwezig is, dat het MER een goede beschrijving bevat van de voorgenomen activiteit, van de alternatieven en van de effecten daarvan op het milieu. Mede gelet hierop ziet de Voorzitter ook in hetgeen verzoekster sub 1 verder naar voren heeft gebracht omtrent het MER onvoldoende grond voor het oordeel dat het MER onvolkomenheden bevat die verweerder aanleiding hadden moeten geven de aanvraag met toepassing van artikel 7.28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wm buiten behandeling te laten.
2.10. Verzoekers sub 1 en 3 voeren voorts aan dat onduidelijk is of voor ‘de voorgenomen activiteit’ of voor ‘het maximum aanbod alternatief’ vergunning is aangevraagd.
De Voorzitter overweegt dat in zowel de aanvraag als het bestreden besluit duidelijk is vermeld dat vergunning wordt aangevraagd voor het in het MER geformuleerde voorkeursalternatief, bestaande uit het ‘maximum aanbod alternatief’, waarbij enkele maatregelen uit het ‘meest milieuvriendelijke alternatief’ worden uitgevoerd. In zoverre mist het betoog van verzoekers sub 1 en 3 feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor het betoog van verzoekster sub 1 dat uit de vergunning niet blijkt welke afvalstoffen in de inrichting mogen worden geaccepteerd, nu dit in hoofdstuk 6 van de vergunningvoorschriften is gereguleerd.
2.11. Verzoekers sub 1 en 3 vrezen voor geluidoverlast vanwege de inrichting. Verzoekster sub 1 voert in verband hiermee aan dat verweerder een streefwaarde van 40 dB(A) in de dagperiode had moet hanteren en dat niet de vergunningaanvrager, maar verweerder het referentieniveau van het omgevingsgeluid had moeten vaststellen. Voorts kan zij zich niet verenigen met de gestelde piekgeluidgrenswaarden. Verder betoogt zij dat de geluidbelasting die de inrichting zal veroorzaken onvoldoende is onderzocht. In dit verband stelt zij onder andere dat bepaalde uitgangspunten van het bij de aanvraag behorende geluidonderzoek, zoals de gehanteerde beoordelingshoogte, het bronvermogenniveau van de wasplaats en de situering van de geluidbronnen, onjuist zijn. Daarnaast stellen verzoekers sub 1 en 3 dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften niet handhaafbaar zijn.
2.11.1. Ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder heeft verweerder onder meer de voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.4 aan de vergunning verbonden, waarin bij een aantal rekenpunten piekgeluidgrenswaarden en grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor drie bedrijfssituaties in de verschillende compartimenten zijn aangegeven.
Verweerder heeft bij de invulling van de beoordelingsvrijheid wat het geluidaspect betreft hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: Handreiking) tot uitgangspunt genomen.
Voor de vaststelling van de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau heeft verweerder vanwege de situatie ter plaatse geen aansluiting gezocht bij de in de Handreiking genoemde streefwaarden, maar bij het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. De Voorzitter acht dit niet in strijd met het recht. De Voorzitter ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de metingen naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid, die met in achtneming van de Handleiding Il-HR-15-01 “Richtlijnen voor karakterisering en meting van het omgevingsgeluid” door Royal Haskoning zijn uitgevoerd, niet representatief zijn, dan wel dat de uitkomsten hiervan, welke zijn neergelegd in het bij de aanvraag behorende geluidrapport van 24 september 2001, niet juist zijn, zodat voor verweerder geen reden bestond in zoverre nader onderzoek te verrichten.
De Voorzitter constateert dat de gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau overeenkomen met, dan wel lager zijn dan de waarden van het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Voorts vallen de voorgeschreven piekgeluidgrenswaarden binnen de marges die in de circulaire Industrielawaai, die verweerder kennelijk op dit punt heeft gehanteerd, als maximaal aanvaardbaar worden aangemerkt.
Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder, gelet op het door hem gehanteerde beoordelingskader, in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de gestelde geluidgrenswaarden voldoende bescherming bieden tegen geluidhinder vanwege de inrichting.
2.11.2. Wat de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting betreft is verweerder uitgegaan van de uitkomsten van een door Royal Haskoning verricht akoestisch onderzoek. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 september 2001, aangevuld op 4 februari 2002 en 4 november 2002.
De Voorzitter kan thans niet in extenso beoordelen in hoeverre het akoestisch onderzoek op deugdelijke wijze is uitgevoerd. In het kader van de behandeling van het geding in de bodemprocedure kunnen deze aspecten ten volle aan de orde komen. In afwachting hiervan overweegt de Voorzitter als volgt.
Voorzover verzoekster sub 1 zich er niet mee kan verenigen dat in de dagperiode een hoogte van anderhalve meter boven maaiveld als beoordelingshoogte voor de geluidbelasting is gehanteerd, overweegt de Voorzitter dat verweerder zich daarbij heeft gebaseerd op de Handreiking. Gelet op de hierin voor standaard eengezinswoningen aanbevolen beoordelingshoogte van anderhalve meter in de dagperiode, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze hoogte maatgevend is voor de te beoordelen periode. Voorts ziet de Voorzitter geen reden om aan te nemen dat het gehanteerde bronvermogen van de wasplaats, dat gebaseerd is op resultaten van geluidmetingen bij vergelijkbare wasplaatsen, onjuist is. Overigens voorziet voorschrift 5.2.3 in de verplichting tot het verrichten van een controlemeting wat het optredende geluidniveau van de wasplaats betreft. Wat het betoog van verzoekster sub 1 inzake de situering van de geluidbronnen betreft, overweegt de Voorzitter dat op voorhand geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de stelling van verweerder dat de situaties, waarbij de afname van het geluidniveau tussen de geluidbron en het rekenpunt minimaal is en dus de geluidimmissie op het rekenpunt maximaal, in het akoestisch onderzoek zijn betrokken.
Mede gelet op het vorenoverwogene vindt de Voorzitter onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder op basis van het verrichte akoestisch onderzoek niet heeft mogen concluderen dat de gestelde geluidgrenswaarden na het treffen van maatregelen, die zijn voorgeschreven in hoofdstuk 5.2 van de vergunningvoorschriften, kunnen worden nageleefd.
De Voorzitter kan verzoekers sub 1 en 3 verder, gelet op hetgeen verweerder en vergunninghoudster ter zitting naar voren hebben gebracht over het gebruik van de stortcompartimenten en over de wijze van toetsing aan de geluidnormering in een situatie als de onderhavige, niet volgen in hun stelling dat de naleving van de voorgeschreven geluidgrenswaarden niet goed controleerbaar is.
2.12. Verzoekers vrezen tevens geuroverlast vanwege de inrichting. Zij stellen – kort samengevat -, onder verwijzing naar een aantal deskundigenrapporten, dat de geuremissie die optreedt als gevolg van het in werking zijn van de inrichting, in het bij de aanvraag gevoegde geurrapport van Project Research Amsterdam B.V. (hierna: PRA) wordt onderschat. Verzoekers hebben onder meer kritiek op de in het geurrapport gehanteerde geuremissiekengetallen en op de uitgevoerde meting voor het bepalen van de geuremissie van het afgedekte stortfront. Verweerder had naar hun mening op dit punt nader onderzoek moeten verrichten.
2.12.1. Ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geurhinder heeft verweerder aan de vergunning diverse voorschriften verbonden, waarin onder meer geurnormen zijn opgenomen.
Verweerder heeft bij de invulling van de beoordelingsvrijheid wat het geuraspect betreft de Nederlandse emissie richtlijnen lucht tot uitgangspunt genomen. Hierin is onder meer vastgelegd dat het bevoegd gezag vaststelt welk niveau van geurhinder in een bepaalde situatie nog acceptabel is en dat in geval van hinder maatregelen moeten worden getroffen die stroken met het ALARA-beginsel.
Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder een grenswaarde van 1 ge/m³ als 95-percentiel voor verspreid gelegen bebouwing en een grenswaarde van 1 ge/m³ als 99,5-percentiel voor aaneengesloten bebouwing als acceptabel hinderniveau heeft aangemerkt.
De Voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met deze grenswaarden, die in de vergunningvoorschriften 4.2.4 en 4.2.3 zijn opgenomen, een toereikend beschermingsniveau wordt geboden.
2.12.2. De Voorzitter overweegt verder dat de vraag of het geurrapport van PRA, waarop verweerder zich voor de vaststelling van de te verwachten geuremissie vanwege de inrichting heeft gebaseerd, een volledig en representatief beeld geeft, naar zijn oordeel een nader onderzoek vergt. In het kader van de behandeling van het geding in de bodemprocedure kan dit punt ten volle aan de orde komen.
Voorshands is, mede in aanmerking genomen dat de door verzoekers geplaatste kanttekeningen bij de uitgevoerde geurmeting aan de afdeklaag en de gehanteerde geuremissiekengetallen door verweerder in het bestreden besluit en door vergunninghoudster ter zitting gemotiveerd zijn weerlegd, niet gebleken van redenen tot twijfel aan de uitgangspunten en conclusies van het geurrapport van PRA. Volgens dit rapport leiden de vergunde activiteiten bij naleving van bepaalde condities niet tot overschrijding van de voorgeschreven geurnormen.
Gelet hierop en gegeven de aan de vergunning verbonden voorschriften, waarin diverse maatregelen worden voorgeschreven om geurhinder tegen te gaan, ziet de Voorzitter geen aanleiding om te oordelen dat het in werking zijn van de inrichting zodanige geurhinder zal veroorzaken dat thans in verband daarmee de verzoeken om voorlopige voorziening moeten worden ingewilligd.
2.13. Ook hetgeen verzoekers overigens nog naar voren hebben gebracht, onder andere met betrekking tot de door verweerder verrichte doelmatigheidtoetsing, geeft de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.
2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Toorenburg-Bovenkerk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003
334.