Uitspraak 200302988/1 en 200302988/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:156
- Datum uitspraak
- 6 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen twee maanden na de vezenddatum van dit besluit alle bedrijfsmatige buitenopslag op het perceel [locatie] (inclusief de geplaatste bouwkeet) en tevens de opslag onder de vergunningvrij geplaatste carport, te beëindigen.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200302988/1 en 200302988/2.
Datum uitspraak: 6 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], waarvan de vennoten zijn [vennoten], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 29 april 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen twee maanden na de vezenddatum van dit besluit alle bedrijfsmatige buitenopslag op het perceel [locatie] (inclusief de geplaatste bouwkeet) en tevens de opslag onder de vergunningvrij geplaatste carport, te beëindigen.
Bij besluit van 18 maart 2003 heeft het college, onder gedeeltelijke wijziging van de motivering zoals in het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften is vermeld, het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 april 2003, verzonden op 2 mei 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2003, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brieven zijn aangehecht.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2003, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J.A.F.M. van Vorstenbosch, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in hoofdzaak.
2.2. Niet in geschil is dat het gebruik van het perceel [locatie] (hierna: het perceel) voor buitenopslag van bouwmaterialen en machines ten behoeve van het door appellante geëxploiteerde aannemersbedrijf in strijd is met de in het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” aan het perceel toegekende bestemmingen “Woondoeleinden” en “Agrarisch gebied”.
2.3. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden overwogen dat appellante geen beroep toekomt op het in artikel 21 van de planvoorschriften neergelegde (gebruiks)overgangsrecht. De voorzieningenrechter heeft daarbij, anders dan appellante betoogt, een juiste uitleg gegeven aan het derde lid van die bepaling.
2.4. Uit het vorenstaande volgt dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, als zij heeft gedaan.
2.5. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisatie.
2.6. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat uitzicht op legalisering niet bestaat. Het college is niet bereid om mee te werken aan het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, nu de opslag van bouwmaterialen en machines in strijd is met het (recente) bestemmingsplan “Buitengebied 1997” en het daarin neergelegde beleidsuitgangspunt dat niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid uit het buitengebied dient te worden geweerd. Het betoog van appellante dat de gemeenteraad bij besluit van 24 april 2003 de grens van de bebouwde kom heeft verschoven, kan reeds vanwege het ex tunc karakter van de beoordeling van de beslissing op bezwaar niet worden meegenomen. Overigens heeft de vertegenwoordiger van het college ter zitting verklaard dat dit besluit voor wat betreft het onderhavige perceel geen planologische gevolgen zal hebben.
2.7. De Voorzitter deelt voorts het oordeel van de voorzieningenrechter dat appellante er niet op mocht vertrouwen dat het college niet handhavend zou optreden. Er zijn niet, althans onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het college eerder dan 12 oktober 2001 op de hoogte was dan wel kon zijn van de in geding zijnde opslag. De voorzieningenrechter heeft in dit verband in aanmerking kunnen nemen dat rapporten van controles geen melding maken van opslagactiviteiten en dat de opslag, naar appellante ook erkent, wisselend van omvang is. De bouwmaterialen en machines zijn niet continu op het perceel opgeslagen, maar regelmatig op bouwlocaties aanwezig.
2.8. Tenslotte ziet de Voorzitter in hetgeen appellante verder nog heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college had moeten afzien van handhavend optreden tegen de illegale situatie. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat op korte termijn geen alternatieve locatie voor de opslag van materialen en goederen beschikbaar is, leidt niet tot het oordeel dat sprake was van een bijzonder geval.
2.9. De conclusie is dat de voorzieningenrechter het beroep tegen de bestreden beslissing op bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard.
2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.11. Gelet op het vorenstaande, ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Molenaar
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003
369.