Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302286/1

Uitspraak 200302286/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:158
Datum uitspraak
5 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 25 februari 2003 heeft verweerder het verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: vergunninghoudster) afgewezen.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302286/1.
Datum uitspraak: 5 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft verweerder het verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: vergunninghoudster) afgewezen.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij brief van 7 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 mei 2003, waar verzoekers, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door J.A.F.M. van Vorstenbosch, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verzoekers betogen dat verweerder ten onrechte geen last onder dwangsom heeft opgelegd aan vergunninghoudster wegens het impregneren van hout en het verkopen van geïmpregneerd hout en/of houten producten daarvan aan derden. Zij stellen dat de vergunning die op 19 november 1991 krachtens de Hinderwet aan vergunninghoudster is verleend voor een houtzagerij en houthandel niet meer toereikend is, nu bij de verlening hiervan geen rekening is gehouden met de milieuhygiënische gevolgen van geïmpregneerd hout in de gebruiks- en afvalfase. Vanwege de nadien in werking getreden Wet milieubeheer had deze vergunning geactualiseerd moeten worden, aldus verzoekers.

2.1.1. Het standpunt van verweerder komt er op neer dat hij van mening is dat de milieuhygiënische gevolgen van geïmpregneerd hout in de gebruiks- en afvalfase niet kunnen worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting en dat dit niet anders is geworden door het in werking treden van de Wet milieubeheer.

2.1.2. De Voorzitter is van oordeel dat dit standpunt juist is. Voor het overige biedt het verzoek van verzoekers geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat bij de in de inrichting plaatsvindende impregneeractiviteiten de voorschriften die aan de voor de inrichting geldende milieuvergunning zijn verbonden, niet worden nageleefd, noch dat in de inrichting impregneeractiviteiten worden ondernomen waarvoor geen vergunning krachtens de Wet milieubeheer is verleend. De Voorzitter stelt vast dat verweerder niet bevoegd was om handhavend op te treden. Verweerder heeft het verzoek tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen daarom terecht afgewezen. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Heijerman
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003

255.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon