Uitspraak 200302297/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:159
- Datum uitspraak
- 5 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft de burgemeester van Franekeradeel (hierna: de burgemeester) met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet een sluiting voor een periode van zes maanden bevolen van [Koffiehuis] te [plaats] en het verlof van verzoekster tot het verstrekken van alcoholvrije drank voor deze periode ingetrokken.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200302297/2.
Datum uitspraak: 5 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 2 april 2003 in het geding tussen:
verzoekster
en
de burgemeester van Franekeradeel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft de burgemeester van Franekeradeel (hierna: de burgemeester) met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet een sluiting voor een periode van zes maanden bevolen van [Koffiehuis] te [plaats] en het verlof van verzoekster tot het verstrekken van alcoholvrije drank voor deze periode ingetrokken.
Bij besluit van 14 maart 2003 heeft de burgemeester het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2003, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 mei 2003, waar verzoekster in persoon, bijgestaan door mr. H.A. van Hapert, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Indien in hoger beroep een uitvoerbaar besluit aan de orde is, komt daaraan te meer betekenis toe nu in dat geval het besluit door een rechter in eerste aanleg als niet onrechtmatig is geoordeeld. Wel neemt de burgemeester, door de sluiting te doen ingaan terwijl dit besluit nog niet in rechte onaantastbaar is, een risico waarvan de mogelijke negatieve gevolgen voor zijn rekening kunnen komen.
2.3. In hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat een sluiting voor zes maanden niet had mogen worden opgelegd en het verlof van verzoekster tot het verstrekken van alcoholvrije drank niet voor eenzelfde periode had mogen worden ingetrokken. Onder deze omstandigheden dient het belang van de burgemeester bij het thans ten uitvoerleggen van de sluiting en de intrekking van het verlof, welk belang met name is gelegen in de bescherming van de Franeker gemeenschap tegen de nadelige effecten van de handel en drugs, te prevaleren boven de door verzoekster gestelde belangen bij het schorsen daarvan. De Voorzitter neemt daarbij in aanmerking dat verzoekster, nu zij tevens een restaurant exploiteert, voor haar inkomsten niet uitsluitend is aangewezen op het koffiehuis.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.Z.C. Koutstaal, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Koutstaal
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003
383.