Uitspraak 200302440/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:160
- Datum uitspraak
- 5 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 september 2002, kenmerk 2002/39339, heeft verweerder onder verwijzing naar de artikelen 83 en 100 van de Wet geluidhinder ten behoeve van 290 woningen binnen het onderzoeksgebied van de A73-Zuid, wegvak F, N68, Koninginnelaan en St. Wirosingel te Roermond de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vastgesteld.
- Voorlopige voorziening
- RO - Geluid
Toon inhoud
200302440/2.
Datum uitspraak: 5 juni 2003.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Limburg,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 september 2002, kenmerk 2002/39339, heeft verweerder onder verwijzing naar de artikelen 83 en 100 van de Wet geluidhinder ten behoeve van 290 woningen binnen het onderzoeksgebied van de A73-Zuid, wegvak F, N68, Koninginnelaan en St. Wirosingel te Roermond de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vastgesteld.
Bij besluit van 11 maart 2003, kenmerk 2003/10761, verzonden op 13 maart 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brieven van 15 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2003, beroep ingesteld en de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 mei 2003, waar verzoekers, van wie [verzoeker] in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.M.J. Janssen, ambtenaar van de provincie, en [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts zijn het college van burgemeester en wethouders van Roermond, vertegenwoordigd door R.M.C.G. Ververgaert, ambtenaar van de gemeente, en de Minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door G.C.F.P.M. Stevens, drs. J. Weijsters, en mr. C.W. Buurman, ambtenaren van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, directie Limburg, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Bij het thans ter beoordeling staande besluit van 11 maart 2003
heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen de vaststelling van hogere geluidgrenswaarden ten behoeve van 290 woningen
ongegrond verklaard. Deze vaststelling houdt onder meer verband met de aanleg van de A73-Zuid, wegvak F, de reconstructie van de N280 en de verlegging van de N68. Het landgoed van verzoekers zal worden omgeven door deze wegen.
2.3. Verzoekers zijn van mening dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen om de geluidbelasting van hun landgoed Tegelarije te beperken. De aanleg van hogere geluidschermen dan wel verlegging van de tracés op grotere afstand van het landgoed bieden betere waarborgen voor de instandhouding van de aanwezige natuurwetenschappelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden ervan, zo betogen zij. Verzoekers vrezen dat de binnenplaats van de bebouwing op het landgoed als klankkast zal gaan werken waardoor de geluidoverlast groter zal zijn dan is berekend, alsmede dat niet aan de binnengrenswaarde van 35 dB(A) kan worden voldaan. Voorts zal een aantal diersoorten die op de rode lijst voorkomen, eveneens geluidoverlast ondervinden, aldus verzoekers. Verzoekers stellen tot slot dat de uiteindelijke (cumulatieve) geluidbelasting vanwege de A73 en de N68 onduidelijk is.
2.3.1. Volgens verweerder is gebleken dat toepassing van maatregelen om de geluidbelasting van de betrokken gevels te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) onvoldoende doeltreffend is, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van onder meer verkeerskundige, landschappelijke en financiële aard. Hij acht de vastgestelde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting deugdelijk onderbouwd, in aanmerking genomen dat de komst van de A73 en de reconstructie van de N68 een gegeven zijn, alsmede gelet op het akoestisch onderzoek dat is verricht.
2.3.2. Ingevolge artikel 82, eerste lid, is, behoudens het in de artikelen 82a, 83 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, 50 dB(A).
Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder kunnen gedeputeerde staten – voorzover hier van belang – in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde voor woningen in buitenstedelijk gebied 55 dB(A) en voor woningen in stedelijk gebied 60 dB(A) niet te boven mag gaan.
Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de Wet geluidhinder geldt, behoudens het tweede lid en artikel 100a, als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen een zone, de voor de reconstructie ter plaatse heersende geluidbelasting, met dien verstande dat een geluidbelasting waarvan de waarde 50 dB(A) niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft.
Ingevolge artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Wet geluidhinder kunnen gedeputeerde staten in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende vaststellen, met dien verstande dat de verhoging 5 dB(A) niet te boven mag gaan, behoudens in gevallen waarin ten gevolge van de reconstructie de geluidbelasting van de gevel van ten minste een gelijk aantal woningen elders met een ten minste gelijke waarde zal verminderen.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen (hierna: het Besluit) kunnen gedeputeerde staten toepassing geven aan artikel 83 van de wet in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting, vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot 50 dB(A) onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit kunnen gedeputeerde staten toepassing geven aan artikel 100a, eerste lid, van de wet, in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot de voordien geldende ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
2.3.3. De Voorzitter stelt vast dat verweerder bij de vaststelling van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting toepassing heeft gegeven aan de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder. De procedures als bedoeld in de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder zijn niet het aangewezen kader voor de door verzoekers voorgestane beoordeling van alternatieve tracés. Deze beoordeling vindt in dit geval plaats in het kader van de besluitvorming inzake het bestemmingsplan.
Verweerder heeft bij besluit van 17 september 2002 onder meer bepaald dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van de woning van verzoekers op het landgoed, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], ten gevolge van de Rijksweg A73-Zuid, wegvak F, 51 dB(A) bedraagt, en ten gevolge van de reconstructie van de N68 54 dB(A). Uit de stukken blijkt dat verweerder de geluidbelasting van zowel de A73-Zuid, wegvak F, als van de N68/N280 heeft onderzocht bij toepassing van verschillende varianten van geluidwerende voorzieningen, waarbij de hoogte van de geluidschermen varieert van 1 tot en met 5 meter. Op basis van een aantal criteria, opgenomen in het rapport “Integrale afweging geluidwerende voorzieningen” van mei 2002 dat is opgesteld door Projectbureau Rijksweg 73-Zuid/Rijksweg 74 van Rijkswaterstaat, is voor zowel de A73-Zuid, wegvak F, als voor de N68/N280 een voorkeursvariant gekozen die ten grondslag ligt aan de vastgestelde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. De in dat verband gehanteerde criteria betreffen de kosten, de doeltreffendheid, alsmede de landschappelijke, verkeerskundige en overige aspecten. Uit de toelichting hierop blijkt dat onder meer als uitgangspunt voor te treffen maatregelen is genomen dat geluidwerende voorzieningen niet als doeltreffend worden aangemerkt, indien op plaatsen waar die voorzieningen moeten worden getroffen de voorkeursgrenswaarde van de geluidbelasting van 50 dB(A) met minder dan 2,4 dB(A) wordt overschreden. Vanuit kostenoogpunt is als uitgangspunt geformuleerd, dat de kosten van die voorzieningen gemiddeld niet meer mogen bedragen dan € 57.176,00 per woning.
Eerst de Afdeling zal bij de behandeling van de zaak in de bodemprocedure een definitief oordeel kunnen geven over de deugdelijkheid van de akoestische onderzoeken die aan het bestreden besluit en het besluit van 17 september 2002 ten grondslag liggen. Daarvoor is nader onderzoek nodig waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Op voorhand zijn er echter geen aanwijzingen dat bij de akoestische onderzoeken onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd of dat verweerder op onjuiste wijze bovenstaande criteria heeft gehanteerd. Ook beschikt de Voorzitter niet over aanwijzingen dat de uitgevoerde berekeningen niet representatief zijn. De door verweerder bepaalde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ter plaatse van de woning van verzoekers van 51 en 54 dB(A) is te herleiden tot de uitgevoerde berekeningen. Daarnaast is de gecumuleerde geluidbelasting vanwege de A73 en de N68/N280 onderzocht. Wat betreft de door verzoekers genoemde weerkaatsingeffecten op de binnenplaats van de bebouwing op het landgoed en de overschrijding van de binnengrenswaarde ziet de Voorzitter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat niet aan de vastgestelde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting of aan de binnengrenswaarde van 35 dB(A) kan worden voldaan.
Het vorenstaande in aanmerking genomen is in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan de artikelen 83, eerste lid, en 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder, noch voor het oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verdergaand reduceren van de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) ten gevolge van de A73-Zuid, wegvak F, en de N68, ter plaatse van de woning van verzoekers. De vastgestelde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting is naar het oordeel van de Voorzitter niet van dien aard dat deze in afwachting van de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit bij afweging van de betrokken belangen aanleiding moet zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.3.4. De verzoeksgrond ten aanzien van diersoorten die op de rode lijst staan is na afweging van de betrokken belangen evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, reeds omdat bij of krachtens de Wet geluidhinder niet is voorzien in de bescherming van dieren en ter zitting door verweerder onweersproken is gesteld dat ter zake een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet is gevraagd. De door verzoekers beoogde bescherming van diersoorten kan in dat kader aan de orde komen.
2.4. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Können
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003.
301-353.