Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200201833/1 en 200201836/1

Uitspraak 200201833/1 en 200201836/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AF9493
Datum uitspraak
4 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 29 juni 2000, kenmerk 2260, heeft verweerder aan [vergunninghouder] een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd met betrekking tot de veehouderij van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats].
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200201833/1 en 200201836/1.
Datum uitspraak: 4 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Dirksland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2000, kenmerk 2260, heeft verweerder aan [vergunninghouder] een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd met betrekking tot de veehouderij van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 15 februari 2001, kenmerk 2260 (beslissing bezwaarschrift), verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaarschrift aangemerkt als een verzoek om handhaving.
Bij besluit van 15 februari 2001, kenmerk 2260 (beslissing op handhavingsverzoek) heeft verweerder het verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de veehouderij van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluiten van 20 februari 2002, kenmerk 2260 (beslissing bezwaarschrift d.d. 21 juli 2000, kenmerk AvH00-78/Dl) en kenmerk 2260 (beslissing op bezwaarschrift d.d. 12 maart 2001, kenmerk AvH01-36/Dl) heeft verweerder de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben appellanten bij brief van 23 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2003, waar appellanten, bijgestaan door [ gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door C.H. Overweel, P.J. de Bakker en ir. E.A. Vermaas, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord als partij vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens de meting van 5 juli 2001 sprake was van overtreding van de geluidvoorschriften uit de voor deze inrichting verleende vergunning van 6 juli 1993, zodat verweerder bevoegd was tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.

2.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in redelijkheid, na afweging van de betrokken belangen, geen gebruik behoefde te maken van zijn bevoegdheid handhavend op te treden, omdat de geconstateerde overtreding legaliseerbaar is.

2.4. Uit de stukken blijkt dat de geconstateerde overtreding van de piekgeluidgrenswaarde niet vergunbaar is. Verweerder heeft aan zijn weigering handhavend op te treden ten aanzien van deze overtreding ter zitting de overweging ten grondslag gelegd dat deze overtreding van de geluidvoorschriften eenmalig is. De Afdeling stelt vast dat verweerder in de bestreden besluiten niet duidelijk heeft gemaakt dat de geconstateerde overtreding een eenmalig karakter heeft. Mede gelet op de omstandigheid dat slechts twee keer is gemeten bij geringe bedrijfsactiviteiten, waarbij éénmaal de genoemde overtreding is geconstateerd, is de Afdeling van oordeel dat de afwijzende beslissingen van verweerder niet kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De bestreden besluiten zijn in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. De beroepen behoeven voor het overige geen bespreking.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in die zin dat bij de vaststelling van de proceskosten wordt uitgegaan van één zaak.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Dirksland van 20 februari 2002, kenmerk 2260 (beslissing bezwaarschrift d.d. 21 juli 2000, kenmerk AvH00-78/Dl) en kenmerk 2260 (beslissing op bezwaarschrift d.d. 12 maart 2001, kenmerk AvH01-36/Dl);

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dirksland in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 752,95, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Dirksland te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Dirksland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Plambeck
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2003

159-396.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon