Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302219/1 en 200302219/2

Uitspraak 200302219/1 en 200302219/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:172
Datum uitspraak
28 mei 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 februari 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 21 februari 2003 ter inzage gelegd.
  • Voorlopige voorziening
  • Vee e.a. dieren

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302219/1 en 200302219/2.
Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 21 februari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht van 3 april 2003, beroep ingesteld.
Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht van 3 april 2003, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door J.H.M. Coopmans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghouder als partij gehoord, bijgestaan door [gemachtigde].

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellante stelt te vrezen voor onaanvaardbare stankhinder en overlast veroorzaakt door ongedierte. Daartoe voert hij allereerst aan dat vergunninghouder de voorgeschreven erfverharding die leidt vanaf de openbare weg naar de mestloods niet zal realiseren. Tengevolge hiervan kunnen vrachtwagens niet tot aan de mestloods rijden en zal de mest met een laadschop vanuit de mestloods over grote afstand naar de vrachtwagens op de openbare weg, die de mest komen ophalen, vervoerd moeten worden. Voorts is appellante van mening dat vergunninghouder de voorgeschreven mestdrogingsinstallatie regelmatig buiten werking zal stellen om stroomkosten te besparen en beluchtingsopeningen tegen vervuiling te beschermen. Volgens appellante zal hierdoor de mest niet goed worden gedroogd. Dit leidt er volgens appellante onder meer toe dat de deuren van de mestloods niet goed sluiten en bij afvoeren van mest eerder het maximale laadvermogen van de vrachtwagens is bereikt. Volgens appellante had daarom een voorschrift in de vergunning opgenomen moeten worden waarin vergunninghouder wordt verplicht een urenteller op de mestdrogingsventilatoren te installeren, zodat eenvoudig kan worden gecontroleerd of de mestdrogingsinstallatie altijd in werking is geweest. Ten derde voert appellante aan dat in de vergunning ten onrechte geen voorschriften zijn verbonden waarin is opgenomen dat het bedrijf opgeruimd dient te zijn en ongedierte dient te worden bestreden. Volgens appellante had verweerder aan de vergunning een voorschrift moeten verbinden dat ongediertebestrijding aan een deskundig bedrijf moet worden uitbesteed.

2.2.1. De Voorzitter overweegt dat blijkens de plattegrondtekening, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, een erfverharding dient te worden aangebracht vanaf de openbare weg naar onder meer de mestloods. Vergunninghouder dient deze betonnen verharding derhalve op grond van het bestreden besluit aan te leggen. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij naleving van de bij het bestreden besluit verleende vergunning, de mestloods niet bereikbaar zal zijn voor vrachtwagens en het laden van mest tengevolge daarom onaanvaardbare stankhinder en hinder door ongedierte zal veroorzaken.

Wat betreft de mestdrogingsventilatoren overweegt de Voorzitter dat tussen partijen niet in geschil is dat, indien de bij het bestreden besluit voorgeschreven mestdrogingsinstallatie in werking is, voor stankhinder tengevolge van de mest niet behoeft te worden gevreesd.

Ingevolge voorschrift 3.1.9 moet onder de roostervloeren een beluchtingssysteem aanwezig zijn waarmee voorverwarmde lucht uit bijvoorbeeld een luchtmengkast al dan niet voorzien van een verwarmingsunit over de mestbanden wordt geblazen.

Ingevolge voorschrift 3.1.10 moet het beluchtingssysteem zodanig boven de mestbanden zijn geconstrueerd dat de ventilatielucht over de gehele mestband in goed contact met de mest wordt gebracht. Voorts moeten de beluchtingsopeningen schoon en open worden gehouden ten behoeve van een goed drogingsresultaat.

Naar het oordeel van de Voorzitter volgt uit deze voorschriften voldoende duidelijk dat vergunninghouder het beluchtingssysteem in werking moet houden. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat voor het opnemen van een voorschrift waarin het aanbrengen van een urenteller op de mestdrogingsventilatoren verplicht wordt gesteld.

Voorzover appellante vreest dat vergunninghouder de voorgeschreven betonnen verharding niet zal aanleggen en de mestdrogingsinstallatie buiten werking zal stellen, overweegt de Voorzitter dat dit geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.2.2. Voorzover appellante aanvoert dat in de vergunning ten onrechte geen voorschriften zijn verbonden waarin is opgenomen dat het bedrijf opgeruimd dient te zijn en ongedierte dient te worden bestreden, overweegt de Voorzitter dat voor de inrichting eerder krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning is verleend op 14 december 1999. Deze vergunning is onherroepelijk. Ingevolge voorschrift 1.1 van de bij het bestreden besluit verleende vergunning moet de inrichting na het realiseren van de gevraagde verandering tevens voldoen aan de voorschriften behorende bij de vergunning van 14 december 1999. Ingevolge voorschrift 1.3 van de vergunning van 14 december 1999 moet het onderhoud van de inrichting en installaties adequaat zijn en moet de inrichting ordelijk zijn en regelmatig worden schoongemaakt. Ingevolge voorschrift 1.7 van de vergunning van 14 december 1999 moet het aantrekken van insecten, vogels, knaagdieren en ongedierte zoveel mogelijk worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, vogels, knaagdieren en ongedierte plaatsvinden.

Gelet hierop mist de beroepsgrond van appellante feitelijke grondslag. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestond een voorschrift op te nemen waarin is bepaald dat de bestrijding dient te worden uitbesteed aan een deskundig bedrijf.

2.3. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Taal
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

325.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon