Uitspraak 202004670/1/R2


Volledige tekst

202004670/1/R2.
Datum uitspraak: 21 september 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Nuth, gemeente Beekdaelen,

2.       [appellant sub 2], wonend te Nuth, gemeente Beekdaelen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen,

verweerder.


Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2020 heeft het college het wijzigingsplan "Vaesrade ong. Nuth" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2021, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. V.H.A. Griffioen, advocaat te Sittard, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C. Lubben, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van een woning op het ongenummerde perceel dat is gelegen naast het perceel Vaesrade 109.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen in de omgeving van het plangebied en vrezen dat het plan zal leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

2.       Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.

Ontvankelijkheid

3.       Het college heeft gesteld dat de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu zij geen zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerpwijzigingsplan. Daartoe heeft het college gesteld dat weliswaar het wijzigingsplan gewijzigd is vastgesteld, maar dat daardoor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet in een ongunstigere positie zijn gekomen. Daarbij is volgens het college van belang dat in het wijzigingsplan een kleiner vlak met de bestemming "Wonen" is opgenomen dan in het ontwerpwijzigingsplan. In de publicatie staat weliswaar dat het bestemmingsplan "Kern Vaesrade" uit 2013 is gedateerd, maar dat neemt niet weg dat dit voor hen aanleiding had moeten vormen om zich op het ontwerpwijzigingsplan te oriënteren.

3.1.    In artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb heeft ingediend. In de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, heeft de Afdeling naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, overwogen dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb wordt toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden.

De percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] grenzen rechtstreeks aan het plangebied en de Afdeling is dan ook van oordeel dat zij zonder meer moeten worden aangemerkt als belanghebbenden, hetgeen tussen partijen overigens ook niet in geschil is. Dat betekent dat, gelet op wat de Afdeling eerder heeft overwogen in de genoemde uitspraak van 14 april 2021, artikel 6:13 van de Awb niet aan hen zal worden tegengeworpen. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn derhalve ontvankelijk.

Rechtszekerheid

4.       [appellant sub 2] en [appellant sub 1] stellen dat er geen sprake is van ongewijzigde vaststelling van het plan, omdat het vastgestelde plan niet overeenkomt met het ter inzage gelegde plan. Daarbij heeft [appellant sub 1] onder verwijzing naar een aantal bijlagen aangevoerd dat onduidelijk is welke verbeelding is vastgesteld en dat - anders dan in de publicatie is vermeld - het plan ten opzichte van het ontwerpwijzigingsplan is gewijzigd. Verder heeft [appellant sub 2] gesteld dat het wijzigingsplan ten onrechte ook voorziet in een wijziging van de bestemming van gronden waarop de wijzigingsbevoegdheid geen betrekking heeft.

4.1.    De Afdeling stelt eerst vast dat op grond van het bestemmingsplan "Kern Vaesrade" aan de zuidzijde van het perceel Vaesrade ongenummerd de bestemming "Wonen" en gebiedsaanduiding "wro zone - wijzigingsgebied 1" en aan de noordzijde de bestemming "Agrarisch" zijn toegekend. Het college heeft in het ontwerpwijzigingsplan met gebruikmaking van de in artikel 14.7 van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid aan het hele perceel de bestemming "Wonen" en deels een bouwvlak toegekend. Vervolgens heeft het college het wijzigingsplan gewijzigd vastgesteld, waarbij uitsluitend aan de zuidzijde van het perceel de bestemming "Wonen" met gedeeltelijk een bouwvlak zijn toegekend. In de elektronische verbeelding met als kenmerk NL.IMRO.0951.WP - die ook is gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl, de landelijke voorziening zoals is bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) - is uitsluitend aan de zuidzijde van het perceel de bestemming "Wonen" met deels een bouwvlak toegekend. Voor zover de papieren verbeelding afwijkt van de elektronische verbeelding, wordt overwogen dat op grond van artikel 1.2.3, tweede lid, van het Bro de elektronische verbeelding beslissend is. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling aldus geen sprake van een rechtsonzekere situatie.

Het betoog slaagt niet.

Wijzigingsbevoegdheid

5.       [appellant sub 2] betoogt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in artikel 19.4 van de planregels bij het bestemmingsplan "Kern Vaesrade" aan toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 14.7 van de planregels bij dat bestemmingsplan zijn verbonden.

Daartoe voert [appellant sub 2] aan dat het college in april 2016 eerder een aanvraag om op deze planlocatie een woning toe te staan heeft afgewezen. Volgens hem is het ruimtelijke beleid niet gewijzigd en gelden nog dezelfde argumenten om geen medewerking te verlenen. Daarbij heeft [appellant sub 2] er ook op gewezen dat ambtelijk is geadviseerd om geen medewerking aan het plan te verlenen, maar dat het college dit advies ter zijde heeft geschoven. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] stellen dat uit het gemeentelijke en provinciale beleid waaraan het college het plan heeft getoetst blijkt dat aan de voorziene woning geen behoefte bestaat. Zij stellen dat van gemeentelijke zijde ook is erkend dat geen concrete, urgente vraag naar dit soort woningen bestaat en het ook niet de wens is dergelijke woningen in het buitengebied te realiseren. Daarbij wijzen zij erop dat het plan haaks staat op de gemeentelijke opgave om voor 2030 het aantal woningen met ongeveer 500 terug te brengen.

Voorts stelt [appellant sub 2] dat niet is beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarden aan de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing.

Tot slot stelt [appellant sub 1] dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

5.1.    Artikel 14.7 van de planregels bij het vigerende bestemmingsplan "Kern Vaesrade" luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming "Wonen" wijzigen ten behoeve van extra bouw- en bijgebouwenmogelijkheden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" conform het bepaalde in artikel 19, lid 19.4, van de planregels."

Artikel 19.4 van de planregels van de planregels bij het vigerende bestemmingsplan "Kern Vaesrade" luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen, in het kader van de actuele woningbouwprogrammering aan de bestemming "Wonen", uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" extra bouw- en bijgebouwenmogelijkheid toevoegen, mits:

a. de gemeentelijke en regionale woonvisie bij de afweging worden betrokken;

b. de totstandkoming van een aanvaardbaar woonmilieu gegarandeerd kan worden;

c. de woningen inpasbaar zijn vanuit het stedenbouwkundig beeld;

d. aangrenzende landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden en belangen, dan wel functies niet onevenredig worden aangetast of in hun mogelijkheden beperkt;

e. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik;

f. de effecten op de waterhuishouding in beeld zijn gebracht (watertoets);

g. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 14.2 met dien verstande dat, het wijzigingsplan duidelijkheid geeft over het (nieuwe) bouwvlak en de bouwaanduiding "bijgebouwen".

5.2.    De Afdeling stelt vast dat in het bestemmingsplan "Kern Vaesrade" aan het plangebied gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch" en gedeeltelijk de bestemming "Wonen" met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" is toegekend. In artikel 14.7 van de planregels bij dat bestemmingsplan is voor gronden met de voornoemde aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor extra bouwmogelijkheden, mits kan worden voldaan aan de voorwaarden die in artikel 19.4 van de planregels bij dat bestemmingsplan zijn gesteld.

Vaststaat dat het college bij besluit van 5 april 2016 heeft besloten om in principe geen medewerking te verlenen aan de aanvraag voor de bouw van een woning op het ongenummerd perceel aan de Vaesrade, omdat dit in strijd werd geacht met het gemeentelijk woningbouwprogramma. Vervolgens heeft het college op 4 december 2018 besloten om in principe alsnog aan dit voornemen medewerking te willen verlenen, ondanks dat ambtelijk negatief over het voornemen werd geadviseerd, omdat het voornemen nog altijd niet was opgenomen in het gemeentelijke woningbouwprogramma. Bij het besluit van 21 januari 2020 heeft het college het ontwerpwijzigingsplan vastgesteld, waarbij is aangegeven dat aan de wijzigingsvoorwaarden uit artikel 19.4 van de planregels bij het bestemmingsplan "Kern Vaesrade" wordt voldaan. In de paragrafen 2.3 en 2.4 van de plantoelichting heeft het college toegelicht dat het onderhavig plan in overeenstemming met artikel 19.4, aanhef en onder a, van de planregels bij het bestemmingsplan "Kern Vaesrade" past binnen het regionaal en gemeentelijk woonbeleid, zoals dat is neergelegd in onder meer de "Regionale Woningbouwprogrammering Parkstad" en de "Structuurvisie Wonen Zuid Limburg". Daartoe is van belang dat het college heeft toegelicht dat dit plan voorziet in de uitwerking van een nog onbenutte bouwtitel en dat het regionaal overleg daarvoor goedkeuring heeft afgegeven. Daarnaast heeft het college zich gelet op de toegestane bouwmogelijkheden op het standpunt kunnen stellen dat in overeenstemming met artikel 19.4, aanhef en onder c, van de planregels bij het moederplan de woning vanuit het stedenbouwkundig beeld inpasbaar is. Verder is in paragraaf 2.3 van de plantoelichting ingegaan op de mogelijke gevolgen voor de aangrenzende landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden, zoals bedoeld in artikel 19.4, aanhef en onder d, van de planregels bij het moederplan. Daarbij is geconcludeerd dat het plan nauwelijks invloed op deze waarden zal hebben. Ten slotte ziet de Afdeling gezien de ligging van het plangebied en de in het wijzigingsplan opgenomen bouwmogelijkheden overigens ook geen grond voor het oordeel dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en [appellant sub 1], zoals ook in artikel 19.4, aanhef en onder b, van de planregels van het bestemmingsplan "Kern Vaesrade" is voorgeschreven.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de wijzigingsvoorwaarden uit artikel 19.4 van de planregels bij het bestemmingsplan "Kern Vaesrade" wordt voldaan en dientengevolge heeft het college met toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid het voorliggende wijzigingsplan kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Financiële uitvoerbaarheid

6.       [appellant sub 1] stelt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan, gelet op de te verwachten planschade, onvoldoende is aangetoond.

6.1.    Bij een beroep tegen een wijzigingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat wijzigingsplan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit als het college had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.

In paragraaf 10.1.2 van de toelichting op het plan staat dat de planologische gevolgen die als gevolg van het onderhavige plan zullen optreden voor omwonenden niet van dien aard zijn dat zij hier planologische nadelen van zullen ondervinden. Indien dit wel het geval is, zal dit volgens de plantoelichting naar aard en omvang dusdanig zijn dat de financiële gevolgen ten aanzien van planschade veelal binnen het normaal maatschappelijk risico blijven. Voorts staat in de plantoelichting dat de gemeente met de initiatiefnemer ook een planschadeverhaalovereenkomst heeft gesloten. Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan op voorhand niet uitvoerbaar is.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie en proceskosten

7.       De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] zijn ongegrond.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. van Baaren, griffier.

w.g. Steendijk
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Baaren
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2022