Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202107229/1/A3

Uitspraak 202107229/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:2075
Datum uitspraak
20 juli 2022
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 augustus 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202107229/1/A3.
Datum uitspraak: 20 juli 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 16 september 2021 in zaak nr. 21/1238 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2020 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 september 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2022, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.E.M.C Koudijs, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. W. van Beveren, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] woont sinds 18 maart 2014 in een eengezinswoning in Utrecht. Vanaf 2 januari 2019 wonen zijn echtgenote en kinderen bij hem in. Op 26 mei 2020 heeft [appellant] een urgentieverklaring om medische redenen aangevraagd. In zijn aanvraag heeft hij vermeld dat hij lichamelijk beperkt is. [appellant] geeft aan dat hij mindervalide is en het traplopen zijn rugklachten erger maakt. Ook geeft [appellant] aan dat hij geestelijke klachten ondervindt. Bij besluit van 19 augustus 2020 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet aan de voorwaarden van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019 voldoet. [appellant] heeft niet eerst zelf naar een oplossing gezocht. Aan dit besluit heeft het college ook het medische advies van Oreon ten grondslag gelegd. Volgens dat advies is er geen onhoudbare medische problematiek gerelateerd aan de huidige woning, die verhuizing naar een andere woning op korte termijn noodzakelijk maakt.

Hoger beroep

2.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen. Hij is van mening dat hij wel heeft voldaan aan de algemene voorwaarde inhoudende dat hij heeft aangetoond eerst zelf naar een oplossing te hebben gezocht. Verder heeft hij zijn medische problematiek voldoende onderbouwd met medisch objectiveerbare stukken, aldus [appellant].

De beoordeling

3.       Zowel het college in de besluitvorming als de rechtbank in haar uitspraak heeft een uitvoerige inhoudelijke beoordeling gemaakt aan de hand van het toetsingskader van de Huisvestigingsverordening Regio Utrecht 2019 en de medische problematiek. Daarbij is op de door [appellant] overgelegde documenten ingegaan. [appellant] heeft in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de beroepsgronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn, maar heeft slechts zijn stellingen herhaald. Gelet hierop kan het aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.       Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond.

6.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Neuwahl

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022

280-1011


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon