Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200205440/1

Uitspraak 200205440/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AF8974
Datum uitspraak
21 mei 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 juni 2000 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker]) om zijn woonboot in de Oude Rijn te mogen verplaatsen naar een andere ligplaats afgewezen. Bij besluit van 30 oktober 2000 is het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en is aan hem onder voorwaarden de ligplaats [locatie] te [plaats] toegewezen.
  • Hoger beroep
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200205440/1.
Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg,
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 september 2002 in het geding tussen:

appellant sub 2

en

appellant sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2000 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker]) om zijn woonboot in de Oude Rijn te mogen verplaatsen naar een andere ligplaats afgewezen. Bij besluit van 30 oktober 2000 is het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en is aan hem onder voorwaarden de ligplaats [locatie] te [plaats] toegewezen.

Bij besluit van 15 maart 2001 heeft het college het besluit van 30 oktober 2000 ingetrokken en het besluit van 16 juni 2000 in zoverre herroepen dat het college zich onbevoegd acht op de aanvraag van [verzoeker] te beslissen.

Bij brief van 24 april 2001 heeft appellant sub 2 daartegen bezwaar gemaakt, welke brief als beroepschrift door het college aan de rechtbank is doorgestuurd.

Bij uitspraak van 26 september 2002, verzonden op 1 oktober 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 2] ingestelde beroep tegen het besluit van 30 oktober 2000 niet-ontvankelijk verklaard, zijn beroep ingesteld tegen het besluit van 15 maart 2001 gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2002, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2002, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 12 december 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 november 2002 heeft [verzoeker] een reactie gegeven op het hoger-beroepschrift van appellant.

Bij brief van 23 december 2002 heeft [appellant sub 2] van antwoord gediend.

Bij brief van 13 januari 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brieven van 3 april 2003 heeft [appellant sub 2] zijn antwoord aangevuld en producties overgelegd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.E. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, [appellant sub 2] in persoon, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. W. Visser, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van het college dat het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op een niet meer geldende tekst van de Algemene Plaatselijke Verordening van Valkenburg (hierna: de APV) en dat zij derhalve ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht, slaagt. In hoger beroep is gebleken dat reeds vanaf 1994 een wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening van Valkenburg van kracht is op grond waarvan de bevoegdheid van het college om te beslissen op aanvragen om ligplaatsen met betrekking tot gebieden waartoe de onderhavige locatie behoort, is vervallen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het besluit van het college van 15 maart 2001 op een ondeugdelijke motivering berust en heeft zij derhalve ten onrechte dit besluit vernietigd.

2.2. Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat hij belang heeft bij het verkrijgen van een oordeel over de rechtmatigheid van het (ingetrokken) besluit van 30 oktober 2000 met het oog op de vaststelling van een schadevergoeding, faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant sub 2] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit en heeft hem derhalve terecht niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen dat besluit verklaard. Van schade kan geen sprake zijn nu hij aan evengenoemd besluit geen aanspraken kon ontlenen.

2.3. Het hoger beroep van het college is gegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient voorzover tot vernietiging van het besluit van 15 maart 2001 is beslist, te worden vernietigd en overigens te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van het college gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 september 2002, AWB 00/12292 BESLU, voorzover het besluit van 15 maart 2001 is vernietigd;

III. verklaart het door [appellant sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Matulewicz
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

45-395.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon