Uitspraak 200206341/1


Volledige tekst

200206341/1.
Datum uitspraak: 29 april 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Korendijk,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2002, kenmerk KO 02.2204, heeft verweerder met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer de op 30 december 1994 krachtens genoemde wet verleende vergunning voor een akkerbouwbedrijf en witlofkwekerij op het adres [locatie] te [plaats] gewijzigd. Dit besluit is op 21 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 29 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 december 2002.

Bij brief van 28 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellant heeft bezwaar tegen het aan de vergunning van 30 december 1994 toegevoegde voorschrift C.1 waarin is bepaald dat de bovengrondse opslagtanks voor dieselolie binnen 6 maanden moeten worden beoordeeld op het voldoen aan de in richtlijn CPR 9-6 gestelde eisen. Hoewel verweerder zich in het bestreden besluit in reactie op de bedenkingen van appellant op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval het onder druk testen en laten keuren van de huidige in de inrichting aanwezige bovengrondse opslagtanks voor dieselolie achterwege kan blijven en heeft overwogen dat hiertoe de voorschriften zullen worden aangepast, is dit volgens appellant ten onrechte achterwege gelaten.

2.2.1. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de in de inrichting aanwezige opslagtanks in een lekbakconstructie liggen zodat, als een tank lekt, de inhoud daarvan volledig wordt opgevangen. Volgens verweerder is verzuimd om voorschrift C.1 in de door appellant aangegeven zin aan te passen. Omdat de motivering samen met de voorschriften deel uitmaakt van de vergunning is volgens verweerder duidelijk dat appellant de ten tijde van het bestreden besluit in de inrichting aanwezige opslagtanks voor dieselolie niet onder druk hoeft te testen en te laten keuren en dat dit voorschrift alleen geldt voor nieuwe opslagtanks. Voorschrift C.1 dient volgens verweerder in het licht van de motivering van het besluit te worden gelezen. Voor het geval de Afdeling van oordeel is dat het beroep op dit punt gegrond is, heeft verweerder ter zitting verzocht om in zoverre in de zaak te voorzien.

2.2.2. De Afdeling stelt vast dat in voorschrift C.1 de verplichting is opgenomen om bovengrondse opslagtanks voor dieselolie binnen 6 maanden te beoordelen op het voldoen aan de in richtlijn CPR 9-6 gestelde eisen. Hoewel de considerans van het besluit van belang is ter motivering van het dictum kan de motivering op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven roepen. Dit impliceert dat appellant gehouden is om te voldoen aan de in voorschrift C.1 opgenomen verplichting in die zin dat hij de in de inrichting ten tijde van het bestreden besluit aanwezige opslagtanks voor dieselolie onder druk moet testen en laten keuren. Aangezien verweerder dit gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval niet nodig vindt, concludeert de Afdeling dat het bestreden besluit op dit punt in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.3. Appellant heeft bezwaar tegen de aan de vergunning van 30 december 1994 toegevoegde voorschriften I.9, I.10, I.11 en I.12. Volgens appellant acht verweerder een bodemonderzoek in de inrichting ten onrechte noodzakelijk. Omdat de te onderzoeken plaatsen reeds zijn voorzien van bodembeschermende voorzieningen, voert het volgens appellant te ver om de nulsituatie van de bodem op deze plaatsen vast te leggen. Bovendien zou als gevolg van het doorboren van de bodembeschermende voorzieningen de werende functie daarvan teniet gaan. Voorts acht appellant het onnodig bezwarend om bij het beëindigen van de activiteiten in de inrichting een bodemonderzoek in te stellen. Zolang de bodembeschermende voorzieningen in goede staat verkeren is er volgens appellant geen enkele reden voor een dergelijk onderzoek.

2.3.1. Volgens verweerder is het gelet op de bodembedreigende activiteiten in de inrichting en het alarabeginsel noodzakelijk om een nulsituatie- en een eindonderzoek te laten plaatsvinden. Onder verwijzing naar de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de voorschriften I.9 tot en met I.12 nodig zijn om de huidige bodemkwaliteit vast te leggen en om bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten (of eerder indien wenselijk) op basis van een eindonderzoek te kunnen vaststellen of bodemverontreiniging is opgetreden. Onderzoek van de bodem ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten is volgens verweerder goed mogelijk zonder de vloeistofdichtheid van de aangebrachte vloeren aan te tasten.

2.3.2. Ingevolge voorschrift I.9 dienen grond en grondwater ter plaatse van bodembedreigende activiteiten zoals genoemd in voorschrift I.1 te worden onderzocht. In voorschrift I.1 worden de opslag van dieselolie in bovengrondse tanks en de opslag van bestrijdingsmiddelen met name genoemd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet valt uit te sluiten dat zich als gevolg van voornoemde activiteiten bodemverontreiniging kan voordoen. In de aanwezigheid in de inrichting van bodembeschermende voorzieningen noch in hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat verweerder, met inachtneming in zoverre van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, de voorschriften I.9 tot en met I.12 niet in redelijkheid in het belang van de bescherming van het milieu aan de vigerende vergunning heeft kunnen toevoegen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4. Appellant heeft bezwaar tegen de aan de vergunning van 30 december 1994 toegevoegde voorschriften K.1 en K.2. Volgens appellant is het bijhouden van een milieulogboek onnodig bezwarend. Voorts staat de aard van de inrichting er volgens appellant aan in de weg dat een afvalstoffenregistratie wordt bijgehouden.

2.4.1. Ingevolge de voorschriften K.1 en K.2 dient – voorzover hier van belang - in de inrichting in een milieulogboek een registratie van gegevens van de relevante milieu-effecten te worden bijgehouden, dat in ieder geval gegevens bevat over afvalstoffen, energieverbruik en veiligheid.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het bij nader inzien gelet op de in de voorschriften H.9 en J.1 opgenomen registratieverplichtingen niet nodig is om in een milieulogboek gegevens op te nemen over afvalstoffen en energie. Gelet hierop concludeert de Afdeling dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep is in zoverre gegrond.

De voorgeschreven registratie van gegevens van opgetreden milieu-incidenten en getroffen maatregelen (veiligheid) acht verweerder nodig omdat in de inrichting milieubelastende activiteiten plaatsvinden, zoals opslag van dieselolie en bestrijdingsmiddelen. Het voorschrift maakt het voor het bevoegd gezag mogelijk om te controleren of in de inrichting milieu-incidenten zijn opgetreden en of onmiddellijk maatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs kunnen worden verlangd om de gevolgen hiervan te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Gelet op het belang van de bescherming van het milieu dat hiermee wordt gediend en het feit dat deze registratie weinig inspanning zal vergen, kan deze verplichting volgens verweerder niet als onredelijk bezwarend worden gezien. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het voorschrift C.1 betreft en voorzover in voorschrift K.2 een registratieplicht is opgenomen voor afvalstoffen en energieverbruik. De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting aanleiding om overeenkomstig het verzoek van verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak te voorzien, zoals hierna in het dictum aangegeven, en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Korendijk van 15 oktober 2002, kenmerk KO 02.2204, voorzover het voorschrift C.1 en de in voorschrift K.2 opgenomen registratieplicht voor afvalstoffen en energieverbruik betreft;

III. bepaalt dat het hiervoor onder II vernietigde voorschrift C.1 wordt vervangen door het navolgende voorschrift en dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit:

voorschrift C.1.

De bovengrondse opslagtanks voor dieselolie moeten binnen 6 maanden worden beoordeeld op het voldoen aan de in de CPR-richtlijn 9-6 gestelde eisen. De in de inrichting op 15 oktober 2002 aanwezige opslagtanks voor dieselolie hoeven niet onder druk op vloeistofdichtheid te worden getest en gekeurd;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Korendijk in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 669,27, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Korendijk te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Korendijk aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Zwinkels
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003

309.