Uitspraak 200205930/1


Volledige tekst

200205930/1.
Datum uitspraak: 29 april 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 17 februari 2002 hebben appellanten bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het vermeende besluit van verweerder, waarbij zou zijn ingestemd met het in strijd met de Wet bodembescherming zonder saneringsplan uitvoeren van grondwerkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats] ten behoeve van het aanbrengen van nieuwe en/of gewijzigde aansluitingen van het pand [locatie] op de drukriolering.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 17 februari 2002 hebben appellanten bij brief van 6 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2002, beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 december 2002, verzonden op 20 december 2002, heeft verweerder – voorzover te dezen van belang - het bezwaar van 17 februari 2002 niet-ontvankelijk verklaard.

In vervolg op het besluit van verweerder van 17 december 2002 hebben appellanten de gronden van hun beroep bij brief van 31 januari 2003 aangevuld.

Bij brief van 24 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Oss, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. W.A.E. Braam, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling stelt voorop dat blijkens de brief van appellanten van 31 januari 2003 en de door appellanten ter zitting gegeven toelichting in onderhavig geding de vraag dient te worden beantwoord of het besluit van verweerder van 17 december 2002 op het bezwaar van appellanten van 17 februari 2002 voor vernietiging in aanmerking komt. Tegen het in de brief van 17 december 2002 eveneens opgenomen besluit van verweerder op het door [een der appellanten] bij brief van 27 juli 2001 ingediende verzoek om handhaving is bij verweerder bezwaar gemaakt.

2.2. Het bezwaarschrift van appellanten van 17 februari 2002 is gericht tegen het vermeende besluit van verweerder, waarbij zou zijn ingestemd met het in strijd met de Wet bodembescherming zonder saneringsplan uitvoeren van grondwerkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats] ten behoeve van het aanbrengen van nieuwe en/of gewijzigde aansluitingen van het pand [locatie] op de drukriolering.

Verweerder heeft in het bestreden besluit van 17 december 2002 overwogen dat inzake de door appellanten genoemde grondwerkzaamheden geen besluit is of behoefde te worden genomen. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat voor de uitvoering van de Wet bodembescherming het college van gedeputeerde staten doorgaans het bevoegde gezag is. Omdat het bezwaarschrift van appellanten van 17 februari 2002 niet is gericht tegen een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder besluit – waartegen op grond van artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1 van die wet beroep kan worden ingesteld of bezwaar kan worden gemaakt – verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.4. De stukken en het verhandelde ter zitting geven de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat door verweerder inzake de in het bezwaarschrift van 17 februari 2002 genoemde grondwerkzaamheden een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder het bezwaar van appellanten van 17 februari 2002 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Zwinkels
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003

309.