Uitspraak 200206071/1


Volledige tekst

200206071/1.
Datum uitspraak: 29 april 2003.

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2002, kenmerk 2002/12, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet deels verleend en deels geweigerd voor een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Uden. Dit besluit is op 3 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 november 2002, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [naam rechtspersoon] en [naam rechtspersoon], omwonenden. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door A. Lowijs, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep is gericht tegen de gedeeltelijke weigering van de gevraagde vergunning. Vergunning is uit een oogpunt van stankhinder geweigerd voor het houden van 76 vleeskoeien. Voor de inrichting zijn eerder op 12 maart 1991 en 26 januari 1993 vergunningen krachtens de Hinderwet verleend. Op 29 juni 1995 en 23 november 1998 zijn ten behoeve van veranderingen van de inrichting meldingen als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedaan.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.3. Appellant betoogt dat de aangevraagde vergunning ten onrechte gedeeltelijk is geweigerd. Volgens hem kan voor de 76 vleeskoeien vergunning worden verleend op basis van bestaande rechten. Daarnaast is appellant van mening dat verweerder de woning aan de [locatie 2] ten onrechte als categorie II-object in plaats van als categorie III-object in de zin van de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) heeft aangemerkt. In geval van categorie III wordt aan de minimaal aan te houden afstand ingevolge de Richtlijn veehouderij en stankhinder (hierna: de Richtlijn) voldaan, aldus appellant.

2.3.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure gehanteerd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een categorie II-omgeving, omdat de in de directe omgeving van de inrichting liggende niet agrarische-bebouwingen een bepaalde woonfunctie verlenen aan het desbetreffende deel van het buitengebied. Voorzover hier van belang ziet categorie II van de brochure op “niet-agrarische bebouwing, geconcentreerd in lintbebouwing buiten de bebouwde kom, langs wegen, vaarten, dijken e.d.” en op “meerdere verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen die aan het desbetreffende buitengebied een bepaalde woonfunctie verlenen”. Categorie III van de brochure heeft betrekking op “een enkele niet-agrarische bebouwing in het buitengebied”. Verweerder heeft erkend dat, indien sprake is van categorie III aan de minimaal aan te houden afstand ingevolge de Richtlijn wordt voldaan.

2.3.2. Onbestreden staat vast dat op grond van de eerder verleende vergunningen en ingediende meldingen 334 kraamzeugen, 1.072 guste en dragende zeugen, 4.630 gespeende biggen, 19 beren en 74 opfokgeiten binnen de inrichting mogen worden gehouden. Voor deze dieren zijn in de Richtlijn omrekeningsfactoren opgenomen. De onderhavige aanvraag heeft onder andere betrekking op vleeskoeien waarvoor in de Richtlijn geen omrekeningsfactoren zijn gegeven.

De Afdeling overweegt dat bij veehouderijen de bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, voorzover van belang voor de te veroorzaken stankhinder, slechts kunnen worden gerelateerd aan een aantal mestvarkeneenheden, voorzover het vergunde veebestand kan worden omgerekend naar mestvarkeneenheden. Voorzover geen omrekeningsfactoren beschikbaar zijn – zoals het geval is bij vleeskoeien – kunnen bestaande rechten niet worden gerelateerd aan een aantal mestvarkeneenheden. Het beroep van appellant op bestaande rechten wat betreft de vleeskoeien kan daarom niet slagen.

2.3.3. Wat betreft de categorie-indeling overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de directe omgeving van de onderhavige inrichting een aantal agrarische bedrijven en enkele burgerwoningen, waaronder de woning aan de [locatie 2], liggen. Het aantal woningen is echter niet zodanig dat deze het overwegend agrarisch karakter aan de omgeving ter plaatse ontneemt. Gelet hierop heeft verweerder de woning aan de [locatie 2] ten onrechte als categorie II in plaats van categorie III in de zin van de brochure aangemerkt. Bovendien is ter zitting gebleken dat voornoemde woningen in het verleden als categorie III zijn aangemerkt. Verweerder heeft erkend dat in de huidige situatie geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het verleden.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in strijd gehandeld met het door hem, bij de invulling van de beoordelingsvrijheid in het kader van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer, gehanteerde uitgangspunt. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het de gedeeltelijke weigering van de gevraagde vergunning betreft.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Uden van 23 september 2002, kenmerk 2002/12, voorzover het de gedeeltelijke weigering van de gevraagde vergunning betreft;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Uden in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 689,17, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Uden te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Uden aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Hardeveld
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003.

312-373.