Uitspraak 200506491/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AU8810
- Datum uitspraak
- 19 december 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 2 juni 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) appellanten op aanvraag een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200506491/1.
Datum uitspraak: 19 december 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdelingen], mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 04/52077, 04/52078, 04/53230 en 04/53231 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 juni 2005 in de gedingen tussen:
appellanten
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 2 juni 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) appellanten op aanvraag een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.
Bij besluiten van 28 oktober 2004 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 14 juni 2005, verzonden op 27 juni 2005, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 9 augustus 2005 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Anders dan de minister betoogt, hebben appellanten belang bij het hoger beroep, reeds omdat een verblijfsvergunning onder de door hen gevraagde beperking, anders dan de hun verleende verblijfsvergunning, gelet op artikel 3.60 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), voor langer dan een jaar zou kunnen worden verleend.
2.2. Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, voor het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van de minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van de minister deugdelijk is geregeld.
Ingevolge artikel 3.103 van het Vb 2000 wordt een aanvraag beoordeeld aan de hand van het recht dat gold op het tijdstip waarop deze is ontvangen, tenzij uit de wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip, waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
2.3. Volgens paragraaf B8/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals deze luidde voor de bekendmaking van het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (hierna: TBV) 2003/2, wordt de aanvraag van een vreemdeling, ten aanzien van wie is vastgesteld dat hij in een medische noodsituatie verkeert en wiens terugkeer naar het oordeel van de minister van Justitie van onevenredige hardheid zou zijn in verband met die medische noodsituatie, niet afgewezen, omdat hij niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan of niet beschikt over een deugdelijke financiering.
2.4. In het TBV 2003/2 is onder Inleiding het volgende vermeld:
"De in hoofdstuk B8/5 van de Vc 2000 neergelegde uitzonderingsbepaling ten aanzien van een medische noodsituatie is niet in overeenstemming met artikel 3.46 Vb 2000. Teneinde alsnog uitvoering te kunnen geven aan het beleid inzake de medische noodsituatie is besloten tot de volgende regeling."
Voorts staat in dit TBV dat het terugwerkt tot en met 1 april 2001.
2.5. Appellanten klagen dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, door te overwegen dat het bepaalde in artikel 3.103 van het Vb 2000 in dit geval toepassing mist en gerechtvaardigd is dat het TBV 2003/2 terugwerkt tot en met 1 april 2001, omdat dit ten doel heeft strijd met artikel 3.46 van het Vb 2000 op te heffen, heeft miskend dat artikel 3.103 van het Vb 2000 voorschrijft dat het ten tijde van de aanvraag geldende recht wordt toegepast.
2.5.1. Zij hebben in 2002 verblijfsvergunning gevraagd voor het ondergaan van medische behandeling, onderscheidenlijk verblijf bij kinderen gedurende medische behandeling. Niet in geschil is dat het beleid zoals dat volgens paragraaf B8/5 van de Vc 2000, zoals deze ten tijde van de aanvragen luidde, werd gevoerd, wat betreft het onderdeel financiering niet strookte met het bepaalde in artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000. De minister heeft aan deze paragraaf in verband daarmee bij de beslissing op de aanvragen geen toepassing gegeven.
2.5.2. Artikel 3.103 van het Vb 2000 strekt ertoe te voorkomen dat wijzigingen in het recht, die plaatsvinden nadat een aanvraag is gedaan, waarop nog niet is beslist, ten nadele van de aanvrager uitvallen (Nota van toelichting, Stb. 2000, 497, p. 171).
Het TBV 2003/2 is gepubliceerd, nadat de aanvragen waren gedaan. Het brengt wijzigingen aan in het volgens paragraaf B8/5 van de Vc 2000 gevoerde beleid, door vermelding dat de financiering deugdelijk dient te zijn geregeld en wanneer dat geacht wordt het geval te zijn. Het TBV werkt volgens zijn bewoordingen terug tot en met 1 april 2001, het tijdstip waarop artikel 3.46 van het Vb 2000 in werking is getreden, om het volgens paragraaf B8/5 gevoerde beleid alsnog in overeenstemming te brengen met het bepaalde in dat artikel.
Nu artikel 3.46 van het Vb 2000 het vereiste van een deugdelijke financiering al stelt, valt de in TBV 2003/2 opgenomen wijziging van paragraaf B8/5 van de Vc 2000 wat dit aspect betreft niet aan te merken als een wijziging van het recht ten nadele van de aanvrager. Artikel 3.103 van het Vb 2000 verzet zich derhalve inzoverre niet tegen toepassing van dit TBV. De grieven falen.
2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb
Voorzitter
w.g. Graat
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2005
307.
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,