Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200203119/1

Uitspraak 200203119/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AF7032
Datum uitspraak
9 april 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 5 september 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) appellante vergunning verleend voor het hebben van een terras van maximaal acht m² zoals aangegeven op de bij de vergunning behorende kaart, ten behoeve van de horeca-inrichting “Delifrance”.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200203119/1.
Datum uitspraak: 9 april 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 april 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) appellante vergunning verleend voor het hebben van een terras van maximaal acht m² zoals aangegeven op de bij de vergunning behorende kaart, ten behoeve van de horeca-inrichting “Delifrance”.

Bij besluit van 20 juli 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2002, verzonden op 8 mei 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 augustus 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2002.

Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de Afdeling.

Desgevraagd heeft het college bij brief van 26 november 2002 een reactie ingezonden.

De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens voortgezet ter zitting van
10 maart 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de echtgenoot van appellante, en het college, vertegenwoordigd door
mr. E.A.B. Pluyter, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is gebleken dat appellante haar zaak per 31 januari 2003 heeft verkocht. Gesteld noch gebleken is dat appellante schade heeft geleden. Appellante heeft tot aan de verkoop van de zaak een terras met een breedte van 2,90 meter geëxploiteerd. Desgevraagd heeft appellante verklaard dat de uitkomst van het hoger beroep geen invloed heeft op de koopovereenkomst tussen appellante en de koper, zodat daarin ook geen belang is gelegen. Appellante heeft betoogd het hoger beroep alleen te hebben voortgezet om een principiële uitspraak van de Afdeling te verkrijgen.

Uit het bovenstaande volgt dat appellante geen belang meer heeft bij de beantwoording van de vragen die zij in deze procedure aan de orde heeft gesteld. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling leidt dit er toe dat appellante niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen.

2.2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003

91-421.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon