Uitspraak 200410057/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AT8926
- Datum uitspraak
- 27 juni 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 september 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200410057/1.
Datum uitspraak: 27 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/54680 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 november 2004 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 12 november 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen, thans met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 december 2004 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de uitspraak van 4 april 2003 in zaak no. 200206882/1 (AB 2003, 315) heeft de Afdeling overwogen dat - zakelijk weergegeven - het belang voor de toepassing van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag van de brief van 10 april 2002, waarin het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) aan de minister bericht dat het zogenoemde 1 (F)-dossier van de vreemdeling onvoldoende aanwijzingen oplevert om hem als verdachte aan te kunnen merken en een opsporingsonderzoek te rechtvaardigen, niet op voorhand kan worden ontkend. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, staat daarmee in deze zaak vast dat deze brief als nieuw feit of veranderde omstandigheid, als in de uitspraak van 4 april 2003 bedoeld, moet worden aangemerkt.
2.2. De minister klaagt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende gemotiveerd heeft geacht, waarom hij, ondanks de verklaringen van het OM van 10 april 2002, 16 juli 2003 en 10 september 2003, artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag aan de vreemdeling heeft tegengeworpen.
2.2.1. Voor de beoordeling of aan een vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, hanteert de minister volgens paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) de zogenoemde 'personal and knowing participation test'. Deze komt er op neer dat onderzocht wordt of ten aanzien van de betrokken vreemdeling moet worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het/de desbetreffende misdrijf/misdrijven (knowing participation) én op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation). Volgens paragraaf C1/5.13.3.3.1 van de Vc 2000 is van 'personal participation' in evenbedoelde zin ook sprake, indien uit verklaringen van de betrokken vreemdeling of uit ontvangen informatie blijkt dat het misdrijf, als bedoeld in artikel 1 (F), door betrokkene direct is gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen of nalaten er in wezenlijke mate toe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage wordt in dit verband verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.
2.2.2. De vraag of een dossier voldoende aanknopingspunten bevat om de desbetreffende vreemdeling in strafrechtelijke zin als verdachte aan te merken, wordt niet beantwoord aan de hand van dezelfde criteria als de vraag of de inhoud van het dossier, bezien in samenhang met hetgeen overigens bekend is over het land van herkomst, de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van 'personal and knowing participation' in evenbedoelde zin. Hier komt bij dat het OM niet ten aanzien van alle in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven rechtsmacht heeft en voorts om doelmatigheidsredenen van vervolging kan afzien. Of aan de vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag moet worden tegengeworpen, dient de minister zelfstandig te beantwoorden. Reeds hierom kan een verklaring van het OM, als die van 10 september 2003, niet als van aanmerkelijk belang, als bedoeld in artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), worden beschouwd.
2.2.3. De vreemdeling heeft verklaard dat hij van 1986 tot en met 1997 werkzaam is geweest voor de Afghaanse politie (Sarandoy), eerst als hoofd van de afdeling Criminaliteit in de gemeente Charbolak en later als hoofd van deze afdeling in de gemeente Balkh en dat hij in laatstbedoelde functie uiteindelijk is bevorderd tot kapitein. Hij heeft tevens verklaard dat hij ten tijde van het communistische regime wel eens mensen aanhield die banden hadden met de mudjaheddin. Op grond van deze verklaringen, de omstandigheid dat ten tijde van het communistische regime in de provincie Balkh sprake was van grootschalig verzet en het feit dat een wettelijke plicht bestond om politiek gevoelige zaken en anti-regeringsgezinde activiteiten onmiddellijk te rapporteren aan de Khadimat-e Atal’at-e Dowlati (hierna: de KhAD) en de Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (hierna: de WAD), waarvan niet naleving ernstige consequenties voor betrokkene kon hebben en zelfs tot zijn arrestatie, detentie en mogelijk executie kon leiden, heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) zich in het besluit van 9 oktober 2001, waarbij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is ingetrokken, op het standpunt gesteld dat onaannemelijk is dat hij en zijn ondergeschikten nimmer politieke opposanten aan de KhAD en de WAD hebben overgedragen. Voorts heeft de staatssecretaris, in het licht van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 over de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan, niet aannemelijk gemaakt geacht dat de vreemdeling, ondanks zijn functie, niet bekend was met de door de KhAD en de WAD begane mensenrechtenschendingen. Op basis hiervan heeft de staatssecretaris de vreemdeling mede verantwoordelijk gehouden voor de door de Afghaanse overheid begane mensenrechtenschendingen. In het besluit van 18 september 2003 heeft de minister vermeld, dat en waarom de verklaringen van het OM voor hem geen reden zijn om hiervan terug te komen.
2.2.4. Reeds omdat de minister aan de vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag niet heeft tegengeworpen omdat hij een van de in dat artikel vermelde misdrijven persoonlijk zou hebben gepleegd, maar omdat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van deze misdrijven door de KhAD en de WAD en hieraan door het overdragen van politieke opposanten aan deze organisaties heeft bijgedragen, komt aan de verklaring van het OM dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat om de vreemdeling als verdachte aan te merken en een opsporingsonderzoek te rechtvaardigen niet de betekenis toe die de rechtbank daaraan heeft gehecht. Hiervan uitgaande en gegeven het hiervoor vermelde toetsingskader, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd, waarom hij aan de vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen. De grief slaagt.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling hetgeen door de vreemdeling in beroep is aangevoerd, beoordelen, voorzover dat na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeft.
2.3.1. Aan het besluit van 18 september 2003 heeft de minister mede ten grondslag gelegd dat weliswaar niet valt uit te sluiten dat de vreemdeling bij terugkeer onder de huidige omstandigheden een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 3 van het Anti-Folterverdrag verboden behandeling, maar dat artikel 3.107 van het Vb 2000 aan verlening van een verblijfsvergunning in de weg staat.
2.3.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 2 juni 2004 in zaken nos. 200308845/1 en 200308871/1; www.raadvanstate.nl), dient de minister, ook indien hij aan een vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag tegenwerpt, te onderzoeken of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen diens uitzetting verzet. De vreemdeling klaagt terecht dat uit het besluit van 18 september 2003 niet blijkt dat dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het besluit ontbeert in zoverre een voldoende draagkrachtige motivering en dient onder gegrondverklaring van het beroep te worden vernietigd.
2.4. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 november 2004 in zaak no. AWB 03/54680;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 18 september 2003, kenmerk […];
V. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb
Voorzitter
w.g. Van Loon
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2005
284-462.
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,