Uitspraak 202101573/2/R2


Volledige tekst

202101573/2/R2.
Datum uitspraak: 22 juni 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Bergen op Zoom, en anderen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Bergen op Zoom,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Klein-Molenbeek 4 en 9" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoeker] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 juni 2021, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Roijers, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B.A.M. Suijkerbuijk en J.M. Küpers, zijn verschenen. Verder zijn [belanghebbenden] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [belanghebbende]), bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       Het plan voorziet in de bouw van zes woningen op de percelen Klein-Molenbeek 4 en 9 in Bergen op Zoom. Met het plan verdwijnen twee bestaande woningen met een groter oppervlak. Het plangebied ligt ten zuiden van het centrum van Bergen op Zoom in de wijk Nieuw-Borgvliet.

[verzoeker] en anderen wonen op de aangrenzende percelen. Zij vrezen met name dat deze woningen in de nabijheid van hun woningen slecht bereikbaar zijn voor hulpdiensten.

3.       Omdat op basis van het plan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen kan worden verleend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

4.       [verzoeker] en anderen betogen dat het plangebied niet goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Volgens hen wordt niet voldaan aan de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van de Brabantse Veiligheidsregio's van februari 2016, opgesteld door de Brabantse Veiligheidsregio's (hierna: de Beleidsregels). Met name is de bocht ter hoogte van Klein-Molenbeek 6 te smal, waardoor één van de twee vereiste toegangswegen niet bruikbaar is. Uit een testrit van de brandweer bij de voorbereiding van dit plan en een brand op 24 oktober 2018 is dat gebleken. [verzoeker] en anderen verwijzen naar een getuigenverklaring waarin staat dat de brandweer bij de brand in de bocht klem was gereden en vervolgens achteruit moest rijden en keren. Ook is de weg volgens hen ongeschikt; een deel is onverhard. Bovendien is het onverharde deel ter hoogte van Klein-Molenbeek 6, anders dan de raad stelt, geen openbare weg maar eigendom van [eigenaar]. Dit is volgens [verzoeker] en anderen een privaatrechtelijke belemmering, omdat [eigenaar] geen toestemming zal verlenen om de weg aan te passen.

4.1.    [belanghebbende] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de behandeling van deze beroepsgrond. Daartoe voert hij aan dat de afstand tussen de woningen van [verzoeker] en anderen en de voorziene woningen dusdanig groot is dat een eventuele brand niet kan overslaan.

4.2.    De voorzieningenrechter volgt [belanghebbende] niet in de stelling dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan bespreking van het betoog van [verzoeker] en anderen dat het plangebied niet goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het regelen van een adequate route voor hulpdiensten op de Klein-Molenbeek strekt ten behoeve van het woon- en leefklimaat - en in het bijzonder de veiligheid - ter plaatse van alle woningen die aan die route liggen, waaronder de woningen van [verzoeker] en anderen. Bovendien varieert de afstand tussen de woningen van [verzoeker] en anderen en de voorziene woningen van ongeveer 12 m tot 50 m. Gelet op deze afstanden en het groene karakter van de omgeving, is het niet uitgesloten dat een eventuele brand ter plaatse van de voorziene woningen over kan slaan naar de omliggende woningen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan dus niet worden gezegd dat de norm van een goede ruimtelijke ordening kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen waarop [verzoeker] en anderen zich beroepen. De voorzieningenrechter gaat er voor de behandeling van het verzoek van uit dat het relativiteitsvereiste niet aan [verzoeker] en anderen kan worden tegengeworpen en gaat over tot een inhoudelijke beoordeling van het betoog.

4.3.    De raad heeft aan het plan het advies van de Brandweer Midden- en West-Brabant van 21 december 2018 ten grondslag gelegd. Dit advies is als bijlage 7 bij de plantoelichting gevoegd. In het advies staat dat de wegen in het plangebied dienen te voldoen aan de criteria zoals opgenomen in hoofdstuk 2 Bereikbaarheid hulpdiensten uit de Beleidsregels. In de Beleidsregels is bepaald dat het plangebied toegankelijk dient te zijn voor hulpverleningsvoertuigen. Om een goede bereikbaarheid te waarborgen dient aan een aantal criteria te worden voldaan. Daaronder valt dat de minimale doorgangsbreedte 3,5 m bedraagt. Geadviseerd wordt om ruimtelijke plannen ter advisering over bereikbaarheid voor te leggen aan de Brandweer Midden- en West-Brabant. Dit heeft de raad gedaan. In een e-mail van de Brandweer Midden- en West-Brabant wordt gesignaleerd dat de minimale vrije breedte van 3,5 m ter hoogte van Klein-Molenbeek 6 niet wordt behaald vanwege de positionering van de schuur en de haag en brievenbus langs de weg. De brandweer bevestigt dat uit een testrit is gebleken dat een blusauto de doorgang nauwelijks kan passeren. Geadviseerd wordt om met de eigenaar van het perceel Klein-Molenbeek 6 overeenstemming te bereiken over een doorgang met een breedte van minimaal 3,5 m.

4.4.    Gelet op het advies van de brandweer, betwijfelt de voorzieningenrechter dat aan de criteria die in de Beleidsregels zijn opgenomen, kan worden voldaan. De raad heeft erkend dat de situatie ter plaatse van Klein-Molenbeek 6 een probleem oplevert voor de doorgang van blusvoertuigen. Voor zover de raad stelt dat de belemmeringen ter plaatse van Klein-Molenbeek kunnen worden weggenomen door [eigenaar] met een handhavingsactie te sommeren om de haag ter plaatse te snoeien en een bord waarop staat "eigen weg" te verwijderen, overweegt de voorzieningenrechter dat de raad vooralsnog niet duidelijk heeft gemaakt dat er een wettelijke grondslag is voor handhavend optreden. Niet duidelijk is dat hier sprake is van een openbare weg en dat aan de hand van de bestemming "Verkeer" verzekerd kan worden dat voldoende ruimte kan en moet worden gemaakt voor blusvoertuigen. Bovendien is de weg ter hoogte van Klein-Molenbeek 6 onverhard. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe dit zich verhoudt met het uitgangspunt in de Beleidsregels dat de minimale breedte van de verharding 3 m bedraagt. Gelet op het voorgaande kon de raad zich naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat een adequate toegang voor hulpdiensten is gewaarborgd.

5.       [verzoeker] en anderen betogen verder dat de planregels geen waarborgen bevatten dat aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden wordt voldaan die de raad van belang heeft geacht.

5.1.    In de plantoelichting staat dat voor de haalbaarheid van het plan een stedenbouwkundige studie is gemaakt. De uitkomsten daarvan zijn besproken in een ambtelijke verkenning uit 2018, waarvan het verslag is toegevoegd als bijlage 8 bij de plantoelichting. Daaruit is gebleken dat een verdichting van de zuidrand van de wijk Nieuw-Borgvliet uit stedenbouwkundig oogpunt mogelijk is, mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Er moet onder meer worden gezorgd voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Het toevoegen van nieuwe woningen mag ook niet leiden tot afbreuk aan het bestaande, groene, bosrijke karakter van het gebied. De raad stelt dat is gewaarborgd dat aan deze voorwaarden wordt voldaan en heeft daarvoor een overeenkomst gesloten met de initiatiefnemers van het plan. Ook de situering van de bouwvlakken is volgens de raad een waarborg dat de groene omzoming niet wordt aangetast.

5.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:404) biedt een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en de eigenaar van gronden waarop een voorziening moet worden gerealiseerd - zoals een anterieure overeenkomst - echter onvoldoende zekerheid dat de benodigde landschappelijke inpassing ook daadwerkelijk zal worden gerealiseerd. Als de raad een zorgvuldige landschappelijke inpassing noodzakelijk acht in het kader van een goede ruimtelijke ordening en het gemeentebestuur het niet zelf in zijn macht heeft de noodzakelijke maatregelen te treffen, zoals hier het geval is, kan het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels nodig zijn. Dit is niet gebeurd. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de situering van de bouwvlakken op zichzelf onvoldoende waarborg biedt dat de groene omzoming in het gebied niet zal worden aangetast. In het plan wordt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet geregeld wat de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

Gelet op het voorgaande is het besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

6.       Nu naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval een aantal gronden van [verzoeker] en anderen tegen het plan terecht is voorgedragen, ziet de voorzieningenrechter, bij afweging van alle belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

7.       De raad moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

I.        schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Bergen op Zoom van 17 december 2020, waarbij het bestemmingsplan "Klein-Molenbeek 4 en 9" is vastgesteld;

II.       veroordeelt de raad van de gemeente Bergen op Zoom tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.      gelast dat de raad van de gemeente Bergen op Zoom aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2021

723-911