Uitspraak 202100956/1/A2


Volledige tekst

202100956/1/A2.
Datum uitspraak: 15 februari 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

en

de Kiesraad, handelend als centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (hierna: het centraal stembureau),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2021 heeft het centraal stembureau besloten over de geldigheid en nummering van de kandidatenlijsten en het handhaven van de kandidaten op, en de aanduidingen bovenaan, de kandidatenlijsten voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het centraal stembureau heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2021, waar [appellante] door middel van een telehoorverbinding, en het centraal stembureau, vertegenwoordigd door mr. R.N.A. Al en mr. M. Diamant, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    [appellante] geeft aan dat het besluit van het centraal stembureau van 5 februari 2021 bij haar vragen heeft opgeroepen. Zij betoogt, in de kern samengevat, dat voor haar, en meer in het algemeen voor zwakkere groepen in de samenleving, niet duidelijk is waar de partijen met lijstnummers 14 - 37 voor staan. Zij kent de partijen met de lijstnummers 1 - 13, maar mist informatie over de achtergrond van een aantal nieuwe politieke groeperingen, die in de laatstgehouden verkiezing geen zetel hebben behaald. Zij vindt het de taak van het centraal stembureau om aan de kiezers informatie te verstrekken over de personen achter en de standpunten van deze politieke groeperingen. Ook omdat het centraal stembureau er volgens haar voor moet zorgen dat politieke groeperingen met radicale standpunten en kandidaten tegen wie een gerechtelijke procedure loopt of die een ambtsmisdrijf hebben gepleegd, van de verkiezingen worden geweerd. Ook wijst [appellante] op procedures in de gezondheidszorg en haar persoonlijke omstandigheden, op de toeslagenaffaire en op een kort geding over de mogelijkheid om per post te stemmen.

3.    De Afdeling stelt vast dat een aantal beroepsgronden, zoals het betoog dat inwoners van onder meer Bonaire wel mogen stemmen bij verkiezingen voor zaken in Nederland, maar zij dat als Nederlander geen stemrecht heeft over zaken op onder meer Bonaire, geen betrekking heeft op het besluit van het centraal stembureau van 5 februari 2021 dat in deze procedure beoordeeld moet worden. Datzelfde geldt voor de verwijzing naar lopende procedures in andere zaken en haar persoonlijke situatie. [appellante] heeft niet duidelijk gemaakt dat het besluit van 5 februari 2021 is genomen in strijd met wet- of regelgeving die van toepassing is op de kandidaatstelling voor de verkiezing van de Tweede Kamer. De artikelen I 5 en I 6, eerste lid, van de Kieswet, die hier van toepassing zijn, geven een uitputtende opsomming van formele vereisten op grond waarvan het centraal stembureau een kandidatenlijst ongeldig kan verklaren of een kandidaat van de lijst kan schrappen. [appellante] geeft in haar beroepschrift en de daarop gegeven toelichting ter zitting, niet aan dat aan één van deze vereisten niet is voldaan. De Afdeling ziet dan ook geen reden om het besluit van 5 februari 2021 te vernietigen. Het centraal stembureau heeft terecht niet de rechtmatigheid van de politieke groeperingen, haar statuten, doelstellingen of activiteiten betrokken bij de toetsing van de geldigheid van de kandidatenlijsten (vergelijk de uitspraak van 24 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1585). Het is de taak van het centraal stembureau om de door kiezers ingeleverde kandidatenlijsten te toetsen aan de limitatief in de Kieswet opgesomde formele vereisten. Anders dan [appellante] betoogt, is het centraal stembureau niet belast met het verstrekken van informatie over de aard en inhoud van politieke groeperingen.

Het betoog faalt.

4.    Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2021

633.

BIJLAGE

Kieswet

Artikel I 5

Voor een kieskring is ongeldig de lijst:

a. die niet op de dag van kandidaatstelling tussen negen en zeventien uur bij het centraal stembureau is ingeleverd;

b. waarbij, indien ten behoeve van de lijst een waarborgsom moet worden betaald, niet gevoegd is het bewijs dat deze betaling is verricht;

c. waarbij, indien bij de lijst verklaringen van ondersteuning moeten worden overgelegd, niet ten minste het aantal geldige verklaringen voor deze kieskring, genoemd in artikel H 4, eerste lid, is overgelegd;

d. die niet voldoet aan het bij ministeriële regeling vastgestelde model;

e. die niet persoonlijk is ingeleverd door een kiezer, bevoegd tot deelneming aan de desbetreffende verkiezing;

f. waarbij de inleveraar zich niet heeft geïdentificeerd met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

g. waarop door toepassing van artikel I 6 alle kandidaten zijn geschrapt.

Artikel I 6

1. Het centraal stembureau schrapt, in de volgorde in dit lid aangewezen, van de lijst voor een kieskring de naam van de kandidaat:

a. die niet is vermeld overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel H 8;

b. van wie niet uit de overgelegde verklaring blijkt dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op de lijst voor deze kieskring;

c. wiens woonplaats buiten het Europese deel van Nederland is gelegen, indien de aanwijzing van een gemachtigde ontbreekt;

d. die tijdens de zittingsperiode van het orgaan waarvoor de verkiezing zal plaatshebben, niet de voor het zitting nemen in dat orgaan vereiste leeftijd bereikt;

e. die bij een verkiezing van de leden van provinciale staten, van het algemeen bestuur of van de gemeenteraad geen ingezetene is van de provincie, het waterschap onderscheidenlijk de gemeente, en ten aanzien van wie de verklaring dat hij voornemens is zich bij benoeming te vestigen in de provincie, het waterschap onderscheidenlijk de gemeente, ontbreekt;

f. die heeft verklaard dat hij voornemens is zich bij benoeming te vestigen in de provincie, het waterschap, onderscheidenlijk de gemeente, en ten aanzien van wie blijkt dat hij tevens een zodanige verklaring heeft afgelegd voor de verkiezing van de leden van de staten van een andere provincie, van het algemeen bestuur van een ander waterschap, onderscheidenlijk van de raad van een andere gemeente;

g. die voorkomt op meer dan één van de lijsten die voor deze kieskring zijn ingeleverd;

h. van wie een uittreksel uit het register van overlijden dan wel een afschrift van de akte van overlijden is overgelegd;

i. die op de lijst voorkomt na het ten hoogste toegelaten aantal.

2. Het centraal stembureau schrapt, in de volgorde in dit lid aangewezen, de aanduiding van een politieke groepering van de lijst voor een kieskring, indien:

a. een daarop betrekking hebbende verklaring als bedoeld in het tweede of derde lid van artikel H 3 ontbreekt;

b. de aanduiding geplaatst is boven meer dan één van de voor dezelfde kieskring ingeleverde lijsten.

3. Indien de aanduiding van een politieke groepering niet in overeenstemming is met die waaronder zij is geregistreerd, brengt het centraal stembureau deze ambtshalve daarmee in overeenstemming.