Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202002936/1/V1

Uitspraak 202002936/1/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:2837
Datum uitspraak
30 september 2020
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 februari 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202002936/1/V1.
Datum uitspraak: 30 september 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 april 2020 in zaak nr. 19/3693 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 12 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M.I. Eleveld, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    De Syrische vreemdeling, geboren op [geboortedatum] 1991, wil verblijf in Nederland bij referent, zijn moeder. Hij heeft van 2008 tot en met 2012 bij haar in Syrië gewoond. Hierna is hij naar Saudi-Arabië vertrokken om de militaire dienstplicht in Syrië te ontvluchten. In Saudi-Arabië heeft hij één jaar op zichzelf gewoond en vervolgens is hij daar bij zijn oom gaan wonen. De moeder van de vreemdeling heeft Syrië op 20 juni 2013 verlaten en is op 15 november 2015 Nederland binnengekomen. Op 30 juni 2016 is zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag in het kader van nareis afgewezen, omdat volgens hem de feitelijke gezinsband tussen de vreemdeling en de moeder is verbroken. Deze zaak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris dit ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt dat de feitelijke gezinsband tussen de vreemdeling en zijn moeder is verbroken ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Volgens de rechtbank doen zich geen contra-indicaties voor als bedoeld in paragraaf C2/4.1 van de Vc 2000 (hierna: contra-indicaties). De vreemdeling heeft volgens de rechtbank geen stap naar zelfstandigheid gezet door zelfstandig te gaan wonen, omdat dit het gevolg was van zijn noodgedwongen vertrek uit Syrië. Zij heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2863.

3.    In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank zijn in het besluit op bezwaar ingenomen standpunten over contra-indicaties onjuist heeft getoetst. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte niet alle relevante feiten en omstandigheden in haar overwegingen betrokken. Hij betoogt dat zij gelet op die feiten en omstandigheden niet heeft onderkend dat de vreemdeling in ieder geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanig afhankelijk is van zijn moeder dat hij om die reden nog tot haar gezin zou behoren.

3.1.    Op de beoordeling van de aanvraag is het jongvolwassenenbeleid uit paragraaf C2/4.1 van de Vc 2000 van toepassing. Dit luidde ten tijde van belang:

'In het geval dat het meerderjarige kind jongvolwassen is, neemt de IND gezinsleven aan zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Voor de beoordeling of het meerderjarige kind feitelijk behoort tot het gezin, is het moment van binnenkomst van de referent in Nederland leidend en betrekt de IND ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst (dan wel land van bestendig verblijf). De IND beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken. […]'

3.2    De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk heeft behoord en nog steeds behoort tot het gezin van zijn moeder. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij in Saudi-Arabië voorzag in zijn levensonderhoud door inkomsten uit parttime werk en financiële steun van zijn vader en ooms. Daargelaten of de vreemdeling daadwerkelijk in meer of mindere mate financieel van hen afhankelijk was, volgt daaruit in ieder geval niet dat hij voor zijn levensonderhoud van de moeder afhankelijk was. Verder heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het jaar op zichzelf wonen van de vreemdeling, zijn poging om de moeder te laten overkomen naar Saudi-Arabië en het feit dat de moeder in de periode tussen haar vertrek uit Syrië en haar binnenkomst in Nederland geen poging tot gezinshereniging met de vreemdeling heeft gedaan ook niet volgt dat hij tot haar gezin behoort. Alleen al daarom heeft de staatssecretaris de aanvraag niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd afgewezen. Hierbij komt dat de vreemdeling, - na de scheiding van zijn ouders in 1996 - tot 2008, afwisselend heeft gewoond in het gezin van zijn hertrouwde vader en bij zijn grootouders. Hij heeft na de scheiding slechts van zijn 17e tot 21e jaar bij zijn moeder gewoond. Bij haar binnenkomst in Nederland was de vreemdeling 24 jaar oud en had hij, zoals hiervoor geschetst, gedurende drie jaar zijn leven onafhankelijk van zijn moeder vormgegeven. Gelet op bovenstaande omstandigheden heeft de rechtbank niet onderkend dat deze zaak afwijkt van de zaak van eerdergenoemde uitspraak van 23 augustus 2019, alleen al omdat die vreemdeling vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek uit Syrië bij de desbetreffende referent heeft gewoond en nog minderjarig was ten tijde van zijn vertrek uit Syrië om de dienstplicht te ontvluchten. De grieven slagen.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

5.    De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat hij gezinsleven heeft met zijn twee halfzussen die bij de moeder in Nederland wonen. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat dit aspect niet kan leiden tot inwilliging van de aanvraag, omdat de vreemdeling immers niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot het gezin van de moeder. Verder behoeven de door de vreemdeling in beroep aangevoerde humanitaire omstandigheden, die volgens hem de oorzaak zijn van zijn van referent gescheiden gezinsleven geen bespreking, omdat hij hiermee niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot het gezin van de moeder behoort.

6.    Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 april 2020 in zaak nr. NL 19.3693;

III.    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020

488-958.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon