Uitspraak 201810307/3/R1


Volledige tekst

201810307/3/R1.
Datum uitspraak: 24 december 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

[appellant], handelend onder de naam Heidepark Speuld, gevestigd te Ermelo, en anderen,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Ermelo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "De Heivlinder" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Heidepark Speuld en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Heidepark Speuld en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in de herontwikkeling van het recreatiepark Bospark de Heivlinder. Op de locatie van de camping Het Keteltje, onderdeel van het recreatiepark, voorziet het plan in de realisatie van 15 recreatiewoningen. Op een weide ten zuiden van de camping voorziet het plan in de realisatie van nog 15 recreatiewoningen. Bij 9 van de 30 recreatiewoningen is een paardenstal voorzien, waardoor een beperkt aantal gasten hun eigen paard bij de accommodatie kan stallen.

Heidepark Speuld en anderen zijn hetzij concurrent, hetzij omwonende of eigenaar van nabijgelegen recreatiewoningen. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat dit negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebied De Veluwe. Ook zal het plan het Nationaal Landschap De Veluwe aantasten.

2.    Heidepark Speuld en anderen voeren aan dat de raad ten onrechte geen passende beoordeling heeft opgesteld, terwijl de stikstofdepositie ter plaatse van het Natura 2000-gebied De Veluwe zal toenemen als gevolg van het plan. Heidepark Speuld en anderen betogen onder andere dat het niet uitgesloten is dat het plan schadelijke gevogen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

3.    De raad heeft ter bepaling van de gevolgen vanwege stikstofdepositie een rapport laten opstellen door Sound Force One. Volgens dit rapport, gedateerd 15 oktober 2018, neemt de stikstofdepositie als gevolg van het plan toe met maximaal 0,02 mol/ha/jaar ten opzichte van de feitelijke situatie. In een rapport van Blom Ecologie B.V., eveneens gedateerd 15 oktober 2018, is vermeld dat significante effecten op beschermde habitats en doelsoorten in het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, omdat met de toename van 0,02 mol/ha/jaar de toename van de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/per jaar ligt. Er is daarom geen passende beoordeling verricht naar de gevolgen van de toename in de hoeveelheid stikstofdepositie voor het Natura 2000-gebied door dit plan.

4.    De Afdeling heeft prejudiciële vragen gesteld over het PAS in zaken over vergunningen voor veehouderijen. Het Hof van Justitie heeft de gestelde vragen over het PAS beantwoord bij arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882. De Afdeling heeft in die zaken vervolgens op 29 mei 2019 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603). In die uitspraak heeft de Afdeling vastgesteld dat met de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen niet zullen worden aangetast. Dit heeft onder meer tot gevolg dat het niet meer mogelijk is om in een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming ontwikkelingsruimte toe te delen (rechtsoverweging 32.6 en 34.2).

Voor een bestemmingsplan zoals het onderhavige zijn tevens de volgende overwegingen van belang:

"35.    Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend worden vastgesteld als op grond van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten (artikel 19j, tweede en derde lid, van de Nbw 1998/artikel 2.7, eerste lid en 2.8, derde lid van de Wnb).

Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die ten opzichte van de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, is een plan dat significante gevolgen kan hebben en dat passend beoordeeld moet worden.

De vaststelling van het bestemmingsplan is niet één van de besluiten die genoemd zijn in artikel 19km van de Nbw 1998 of artikel 2.7 van het Bnb, zodat het PAS-beoordelingskader niet van toepassing is. Dit neemt niet weg dat verschillende bevoegde bestuursorganen geen individuele passende beoordeling voor een bestemmingsplan hebben gemaakt, maar voor het aspect stikstof hebben verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan het PAS. Het kan daarbij onder meer gaan om bestemmingsplannen waarin een concrete ontwikkeling is geregeld of waarin uitbreidingsmogelijkheden zijn geboden die de drempel- of grenswaarde niet overschrijden (zie ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530, r.o. 4.9).

35.1.    De conclusie in deze uitspraak dat de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS niet voldoet aan de eisen die het Hof daaraan stelt kan gevolgen hebben voor de hiervoor bedoelde bestemmingsplannen waarvan de beroepsprocedure nog niet is afgerond en waarin op dit punt beroepsgronden naar voren zijn gebracht door degene die zich op deze bepalingen kan beroepen. De raad kan/kon bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet verwijzen naar de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS. De raad heeft in die gevallen het bestemmingsplan of het plandeel dat in de ruimtelijke ontwikkeling voorziet, vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 of artikel 2.8, derde lid, van de Wnb."

5.    De raad heeft zich, door te toetsen aan de in het PAS gehanteerde drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar, indirect gebaseerd op de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag lag. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen is de Afdeling van oordeel dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming, aangezien hij daarbij heeft verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS.

6.    Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De Afdeling ziet geen aanleiding om de overige gronden te bespreken. De Afdeling wijst er op dat de raad meermaals aan de Afdeling heeft meegedeeld dat hij voornemens is een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht te nemen als vervolg op de uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2019. Met dat besluit zou volgens de raad het vaststellingsbesluit worden aangevuld met onder meer onderzoeken ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking en de stikstofdepositie. Tot een dergelijk besluit is het tot nu toe niet gekomen. Als de raad de ruimtelijke ontwikkeling waarin het plan voorziet, wil voortzetten, moet daarvoor eerst een (nieuwe) passende beoordeling worden gemaakt die mogelijk tot heroverweging of aanpassing van het thans voorliggende besluit zal leiden. Omdat op voorhand niet duidelijk is dat de behandeling van de overige beroepsgronden tegen het thans voorliggende besluit van belang kan zijn voor een eventueel vervolgbesluit, ziet de Afdeling daar in deze procedure van af.

Verder wijst de Afdeling erop dat om redenen van proceseconomie per beroep alleen is vastgesteld dat ten minste een van de appellanten belanghebbende is bij het bestreden besluit. Om die reden is de Afdeling niet ingegaan op het door de raad gestelde ontbreken van belanghebbendheid van enkele appellanten.

7.    Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

8.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt besluit van 1 november 2018, waarbij de raad van de gemeente Ermelo het bestemmingsplan "De Heivlinder" heeft vastgesteld;

III.    draagt de raad van de gemeente Ermelo op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Ermelo tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat de raad bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Ermelo aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

w.g. Helder    w.g. Van Helvoort
lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019

361.