Uitspraak 200500781/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AS9920
- Datum uitspraak
- 2 maart 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 januari 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voorzover thans van belang, een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200500781/1.
Datum uitspraak: 2 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 19 januari 2005 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 januari 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voorzover thans van belang, een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 19 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 januari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 februari 2005 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Hetgeen in grief 1 naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.
2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 4 april 2003 in zaak nr. 200206882/1, AB 2003, 315), geeft artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de bestuurlijke besluitvorming invulling aan het algemene rechtsbeginsel, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). De bepaling verleent het bestuur de bevoegdheid om een herhaalde aanvraag, waaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, doch laat het vrij om inhoudelijk op zo’n aanvraag te beslissen.
Voormeld algemeen beginsel geldt ook voor de rechtspraak: buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, kan eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. Voor de bestuursrechtspraak in vreemdelingenzaken vindt het beginsel nadere invulling in het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000. Deze wettelijke bepalingen verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat. Voor de rechter geldt het beperkte toetsingskader derhalve ook, indien het bestuursorgaan de aanvraag heeft afgewezen zonder toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De regels inzake de toegang tot de rechter staan niet ter vrije beschikking van partijen, maar zijn van openbare orde.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een afwijzend besluit op een herhaalde aanvraag, direct moet treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstbedoelde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen, waarop dat rust.
2.3. In het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea van mei 2004 (hierna: het ambtsbericht) is, voorzover thans van belang, het volgende vermeld:
"In oktober 2002 werden ruim 200 Eritreeërs door Malta verwijderd naar Eritrea. Deze Eritreeërs, die om uiteenlopende redenen Eritrea waren ontvlucht (onder andere om de dienstplicht te ontlopen), werden bij terugkeer onmiddellijk gearresteerd en gedetineerd zonder aanklacht of nadere verklaring. Er zijn berichten dat personen met kinderen en personen boven de 40 jaar vrij snel zijn vrijgelaten, maar de overigen zouden nog steeds onder slechte omstandigheden (dwangarbeid, marteling, etc) in geheime detentiecentra worden vastgehouden en van de buitenwereld worden afgeschermd. Een aantal gevangenen zou inmiddels zijn overleden als gevolg van ziekte en verwondingen. Ook zou minstens één persoon tijdens een ontsnappingspoging zijn doodgeschoten."
2.4. Grief 2 klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat deze informatie niet rechtens relevant is, omdat geen sprake is van gedwongen verwijdering van appellante en zij in Eritrea niet politiek actief is geweest.
2.4.1. Het ambtsbericht dateert van ná het eerdere besluit en de daarin vermelde feiten en omstandigheden konden niet vóór het nemen van dat besluit worden aangevoerd.
De voorzieningenrechter heeft ten onrechte op voorhand uitgesloten geacht dat die feiten en omstandigheden in het licht van de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 opgesomde gronden aan het eerdere besluit en de overwegingen, waarop dat rust, kunnen afdoen. Appellante heeft aangevoerd dat zij een reëel risico loopt om bij uitzetting naar Eritrea te worden onderworpen aan een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden strijdige behandeling, omdat zij, evenzeer als de in het ambtsbericht vermelde Eritreeërs, elders asiel heeft gezocht. De grief slaagt.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.
2.5.1. In het besluit van 4 januari 2005 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de informatie uit het ambtsbericht niet tot heroverweging van zijn eerdere afwijzing noopt, omdat ten aanzien van appellante, anders dan ten aanzien van de in het ambtsbericht vermelde Eritreeërs, geen sprake is van gedwongen verwijdering.
2.5.2. De minister heeft aldus miskend dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2001 in zaak nr. 200101994/1, AB 2001, 266), de in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid tot uitzetting het rechtsgevolg van rechtswege van de afwijzing van de aanvraag is en die bevoegdheid niet discretionair van aard is. Dat in het geval van appellante, naar de minister stelt, anders dan ten aanzien van de in het ambtsbericht vermelde Eritreeërs, geen sprake is van gedwongen verwijdering, kan de afwijzing van de aanvraag dan ook niet dragen.
2.5.3. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 4 januari 2005 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen, aangezien het oordeel van de minister dat appellante niet voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 in aanmerking komt daarin niet voldoende draagkrachtig is gemotiveerd.
2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 19 januari 2005 in zaak nr. AWB 05/437;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 4 januari 2005, kenmerk […];
V. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de bij appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer) te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van der Winden
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005
206-418.