Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200410603/1

Uitspraak 200410603/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AS9357
Datum uitspraak
3 maart 2005
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 september 2004 heeft appellant sub 2 (hierna: de minister) een aanvraag van appellant sub 1 (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200410603/1.
Datum uitspraak: 3 maart 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [de vreemdeling],

2.    de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 21 december 2004 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

appellant sub 2.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2004 heeft appellant sub 2 (hierna: de minister)  een aanvraag van appellant sub 1 (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 december 2004, verzonden op 23 december 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de minister bij brieven, bij de Raad van State binnengekomen op onderscheidenlijk 8 en 30 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij onderscheiden brieven van 10 januari 2005 hebben de vreemdeling en de minister reacties ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is bij brief van 9 februari 2005 nog een stuk ontvangen van de zijde van de vreemdeling.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2005, waar de vreemdeling in persoon, bijgestaan door mr. M.R.F. Berte, advocaat te Waalwijk, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Hetgeen door de vreemdeling als grief 1 is aangevoerd, voldoet niet aan het bepaalde in artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), omdat het uitsluitend een herhaling is van in beroep naar voren gebrachte standpunten, waarop de rechtbank heeft beslist. Het aldus aangevoerde kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 4 april 2003 in de zaak nr. 200206882/1, AB 2003, 315), geeft artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de bestuurlijke besluitvorming invulling aan het algemene rechtsbeginsel, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). De bepaling verleent het bestuur de bevoegdheid om een herhaalde aanvraag, waaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, doch laat het vrij om inhoudelijk op zo’n aanvraag te beslissen.

Voormeld algemeen beginsel geldt ook voor de rechtspraak: buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, kan eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. Voor de bestuursrechtspraak in vreemdelingenzaken vindt het beginsel nadere invulling in het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000. Deze wettelijke bepalingen verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur, niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat. Voor de rechter geldt het beperkte toetsingskader derhalve ook, indien het bestuursorgaan de aanvraag heeft afgewezen zonder toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De regels inzake de toegang tot de rechter staan niet ter vrije beschikking van partijen, maar zijn van openbare orde.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een afwijzend besluit op een herhaalde aanvraag, direct moet treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstbedoelde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen, waarop dat rust.

2.3.    Ter toelichting van zijn aanvraag heeft de vreemdeling de volgende stukken overgelegd:

- een brief van H. Hummel, waarnemend directeur van Amnesty International van 24 mei 2004,

- een UNHCR-rapport "Update to the International Protection Response to Asylum Seekers From Iraq", van 1 maart 2004,

- een brief van J.A.F. Burhan, hoofd van de KRG-EU Mission, van 13 april 2004,

- een brief van J.J. Johnson, verbonden aan de CPA in Irak, van 25 juni 2004,

- een rapport van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens van 4 juni 2004,

- het UNHCR-rapport "UNHCR Return Advisory Regarding Iraqi Asylum Seekers and Refugees" van september 2004 en

- het UNHCR-rapport "Country of Origin Information - Iraq" van augustus 2004.

Hij heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

2.4.    De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de aldus overgelegde stukken dateren van ná de afwijzing van de eerdere asielaanvraag van de vreemdeling en de daarin vermelde feiten en omstandigheden niet vóór het nemen van dat besluit door hem konden worden aangevoerd.

Voorts heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat niet op voorhand is uitgesloten dat die feiten en omstandigheden afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen, waarop dat rust.

2.5.    Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling, voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van de minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) zijn de indicatoren die in ieder geval zullen worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in voormeld artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d:

a.    de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld;

b.     de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en voorzover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst, en

c.     het beleid in andere landen van de Europese Unie.

2.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 november 2001 in zaak nr. 200104464/1; RV 2001, 11), moet de vraag of een vreemdeling voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in aanmerking komt, worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Daarbij komt de minister een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet strookt met wettelijke voorschriften, dan wel de minister bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

Het is de taak van de rechter de beoordeling door de minister van de algehele situatie van het land van herkomst, die tot stand pleegt te komen in overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan die maatstaven te toetsen, niet om een eigen oordeel omtrent de algehele - en veiligheidssituatie aldaar in de plaats van dat van de minister te stellen. De rechter dient het desbetreffende oordeel van de minister in beginsel te respecteren.

Bij de beoordeling van de vraag of een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd is, moet de minister de indicatoren, vermeld in artikel 3.106 van het Vb 2000, betrekken, als daar voorgeschreven en betrekt hij de notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (TK 2000-2001, 19 637, nr. 588).

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juni 2003 in zaak nr. 200301204/1; ter voorlichting van partijen aangehecht), is het relatieve gewicht dat aan die indicatoren moet worden toegekend niet voorgeschreven.

2.7.    In de grieven 2 en 3, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak hoeft te worden gevoerd. Zo heeft zij miskend dat de minister de indicatoren, vermeld in artikel 3.106 van het Vb 2000, niet, dan wel op een onjuiste wijze, bij de door hem verrichtte beoordeling heeft betrokken. Voorts heeft zij miskend dat de door hem aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag gelegde stukken en het van na de vorige procedure daterende algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 3 juni 2004 (hierna: het ambtsbericht) geen grond bieden voor het standpunt van de minister dat de situatie in Noord-Irak veilig en stabiel is, nu daaruit blijkt dat sprake is van een achteruitgang van de veiligheidssituatie in het gehele land, derhalve ook in Noord-Irak, mede nu de toegepaste scheidslijn tussen Noord- en Centraal-Irak fluïde is. Verder vindt blijkens het ambtsbericht in andere landen van de Europese Unie geen gedwongen terugkeer van vreemdelingen naar Noord-Irak plaats, aldus de vreemdeling.

2.7.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister bij de beoordeling van de vraag of categoriale bescherming is geïndiceerd, alle vorenbedoelde indicatoren heeft betrokken, nu hij zijn besluitvorming heeft gebaseerd op het ambtsbericht, waarin informatie met betrekking tot deze indicatoren is opgenomen. De minister heeft er, in het licht van de in artikel 3.106, aanhef en onder a, van het Vb 2000 vermelde indicator, betekenis aan toegekend dat volgens het ambtsbericht het de facto Koerdische bestuur van PUK en KDP in het noorden van Irak tijdens de verslagperiode net zo functioneerde, als vóór de militaire interventie. Voorts heeft de minister er, in het licht van de in artikel 3.106, aanhef en onder c, van het Vb 2000 vermelde indicator, betekenis aan toegekend dat volgens het ambtsbericht in diverse andere landen van de Europese Unie asielaanvragen van Noord-Irakezen weer in behandeling worden genomen, nadat een besluitmoratorium was ingesteld naar aanleiding van het militair ingrijpen en vanuit een aantal landen in Europa inmiddels gefaciliteerde vrijwillige terugkeer naar Noord-Irak plaatsvindt.

Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie in Noord-Irak niet van zodanige aard is, dat daarvoor een categoriaal beschermingsbeleid moet worden gevoerd en hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd derhalve niet noopt tot heroverweging van het afwijzende besluit op zijn eerdere asielaanvraag.

Deze grieven van de vreemdeling falen.

2.8.    Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond.

2.9.    De minister klaagt in zijn enige grief dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat in het besluit van 22 september 2004, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2001 in zaak nr. 200101994/1, (AB 2001, 266), onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak, nu geen gedwongen uitzettingen van vreemdelingen naar Noord-Irak plaatsvinden.

2.9.1.    Zoals de Afdeling evenzeer eerder (onder meer voormelde uitspraak van 29 mei 2001) heeft overwogen, is de beslissing om tot uitzetting over te gaan geen zelfstandig deelbesluit binnen de meeromvattende beschikking op de aanvraag om een verblijfsvergunning, maar is de bevoegdheid tot uitzetting het gevolg van rechtswege van de afwijzing van die aanvraag en is die bevoegdheid niet discretionair van aard. Dat als gevolg van die afwijzing de bevoegdheid tot uitzetting ontstaat, dient bij het nemen van de beslissing op de aanvraag te worden betrokken.

2.9.2.    De minister heeft gesteld dat de autoriteiten van Noord-Irak slechts vrijwillige terugkeer accepteren en dat geen rechtstreeks luchtverkeer met Noord-Irak mogelijk is, waardoor de medewerking van omringende landen noodzakelijk is om vreemdelingen naar dat gebied uit te kunnen zetten. De minister spant zich in om deze belemmeringen weg te nemen. Voorts is vrijwillige terugkeer naar Noord-Irak zonder meer mogelijk hetgeen, zo is ter zitting van de zijde van de minister gesteld, in een aanzienlijk aantal gevallen is gebeurd. De vreemdeling heeft het aldus gestelde niet, althans niet voldoende gemotiveerd, bestreden.

De conclusie is dat het uitzetten van vreemdelingen, die wel kunnen, maar niet willen voldoen aan hun vertrekplicht, naar Noord-Irak slechts op belemmeringen van feitelijke aard stuit en dat zulke belemmeringen niet afdoen aan het voornemen van de minister tot uitzetting over te gaan, zodra dat feitelijk mogelijk is, en geen aanleiding vormen voor het oordeel dat de minister een categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak moet voeren. Gelet op het vorenstaande, slaagt de grief.

2.10.    Het hoger beroep van de minister is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het inleidende beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 september 2004 ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 21 december 2004 in zaak nr. AWB 04/42345;

IV.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. van Gastel
Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005

261-418.

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon