Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200202509/1

Uitspraak 200202509/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2002:AF0286
Datum uitspraak
13 november 2002
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 september 2000 heeft de minister van Justitie (hierna: de Minister) geweigerd appellante subsidie te verlenen voor een door haar op te richten klachtenbureau dat een bufferfunctie tussen burger en Openbaar Ministerie zou moeten vervullen.
  • Hoger beroep
  • Overige uitspraken (tot 2004)

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200202509/1.
Datum uitspraak: 13 november 2002

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Jeugdzaken, Volksontwikkeling, Kunst en Kultuuruiting", gevestigd te Maarssen,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 16 april 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2000 heeft de minister van Justitie (hierna: de Minister) geweigerd appellante subsidie te verlenen voor een door haar op te richten klachtenbureau dat een bufferfunctie tussen burger en Openbaar Ministerie zou moeten vervullen.

Bij besluit van 16 februari 2001 heeft de Minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 1 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 juli 2002 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 19 juli 2002 heeft appellante een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door haar [directeur], en de Minister, vertegenwoordigd door mr. A. van der Jagt, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft allereerst betoogd dat de rechtbank, hoewel zij overweegt dat in de brief van 11 september 2000 geen rechtsmiddelenclausule was opgenomen en over het besluitkarakter van deze brief bij appellante verwarring heeft kunnen ontstaan, ten onrechte een uitspraak ten gunste van de Minister heeft gedaan.

2.1.1. Dit betoog faalt. Op grond van de door appellante aangehaalde overwegingen is de rechtbank tot het oordeel gekomen, dat de overschrijding door appellante van de bezwaartermijn verschoonbaar was, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op die grond achterwege moest blijven. Daarmee heeft de rechtbank echter nog geen inhoudelijk oordeel gegeven over het door appellante ingestelde beroep.

2.2. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte aan bewijsstukken en correspondentie tussen de Eerste en Tweede Kamer en appellante, alsmede aan een brief van de Universiteit Maastricht voorbij is gegaan, mist feitelijke grondslag en kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft uitdrukkelijk overwogen dat in de stukken geen aanleiding is gelegen het standpunt van de Minister, dat de bestaande klachtenregelingen met betrekking tot politie en Openbaar Ministerie met voldoende waarborgen zijn omkleed, voor onredelijk of anderszins ondeugdelijk te houden. Voor het oordeel dat de rechtbank desondanks van de door appellante genoemde stukken geen kennis zou hebben genomen, biedt het dossier noch hetgeen door appellante in dit verband is aangevoerd, enig aanknopingspunt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Loon
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2002

284-364.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon