Uitspraak 200307371/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AO6239
- Datum uitspraak
- 20 februari 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 juni 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200307371/1.
Datum uitspraak: 20 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 24 september 2003 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 september 2003, verzonden op 8 oktober 2003, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het besluit de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 Vreemdelingenwet 2000
(hierna: Vw 2000) af te wijzen; het beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de a-, b- en c-grond van artikel 29 Vw 2000 en bepaald dat de minister te dien aanzien een nieuw besluit neemt en het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, tweede lid, Vw 2000. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak, voor zover daarin het beroep gegrond is verklaard, heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: appellant) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 november 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Appellant heeft in de voorgedragen grieven - samengevat weergegeven - naar voren gebracht dat de rechtbank heeft miskend dat de vreemdeling op 22 februari 2002 gedurende drie jaren in het bezit geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zodat ingevolge artikel 28, tweede lid, Vw 2000 aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kon worden verleend. Voorts stelt appellant dat in het voornemen tot het besluit van 18 juni 2002, dat deel uitmaakt van dat besluit, is beoordeeld of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op de in artikel 29, eerste lid, onder a, b en c van de Vw 2000 neergelegde gronden en of de bij besluit van 4 augustus 1999 aan de vreemdeling toegekende verblijfsvergunning op de juiste grond is verleend.
2.2. Ingevolge artikel 34 Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder c, slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.
2.3. Ingevolge artikel 32, eerste lid, onder c, Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.
2.3.1. Bij besluit van 4 augustus 1999 is de aanvraag van de vreemdeling om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid daarvan. Bij dat besluit is de vreemdeling met ingang van 22 februari 1999 in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 12 van de Vreemdelingenwet (oud).
2.3.2. Ingevolge artikel 115, eerste lid, Vw 2000 wordt een op het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000 geldige verblijfstitel met inachtneming van het tweede tot en met het zevende lid van dat artikel van rechtswege aangemerkt als een verblijfvergunning op grond van deze wet.
Ingevolge het zesde lid wordt een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, onder handhaving van de geldigheidsduur, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28.
2.3.3. De staatssecretaris heeft het tegen het besluit van 4 augustus 1999 ingediende bezwaarschrift bij besluit van 3 juli 2001 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens relevant belang.
2.3.4. De rechtbank heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 24 september 2003 ongegrond verklaard.
2.3.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 maart 2002 in zaak no. 200105914/1 (AB 2002, 132), moet er van worden uitgegaan dat een besluit, waarbij een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 is verleend, niet in rechte onaantastbaar wordt, voor zover daarin ligt besloten dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de gronden a tot en met c van het eerste lid van artikel 29 van de Vw 2000. Gelet hierop, had de vreemdeling hangende de geldigheidsduur van de hem verleende vergunning geen belang bij het instellen van bezwaar of beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit. Dit belang is herleefd met het voornemen van de staatssecretaris tot afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling tot verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 Vw 2000, omdat de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 is komen te ontvallen in verband met de beëindiging met ingang van 24 september 2001 van het beleid van categoriale bescherming voor alle Somalische bevolkingsgroepen en voor alle asielzoekers uit Somalië.
De staatssecretaris heeft in voormeld voornemen alsnog een oordeel gegeven over de tegen de beschikking van 4 augustus 1999 door de vreemdeling aangevoerde bezwaren inzake het niet inwilligen van de aanvraag om toelating als vluchteling wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. De staatssecretaris heeft daarbij onder meer gewezen op de in de beschikking van 4 augustus 1999 neergelegde motivering.
2.3.6. Blijkens het besluit van 18 juni 2002 dienen de overwegingen in het voornemen daartoe als in dit besluit herhaald en ingelast te worden beschouwd.
2.3.7. De staatssecretaris heeft aldus in het besluit van 18 juni 2002 gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de vreemdeling niet voor een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c van de Vw 2000 in aanmerking komt. De staatssecretaris heeft daarmee terecht en op juiste wijze al hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd met betrekking tot die gronden betrokken in de beoordeling van de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 en 34 van de Vw 2000. De wet noch bovenvermelde uitspraak van de Afdeling biedt in een situatie als hier aan de orde grond voor een beoordeling van de aanvraag als een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Dit heeft de rechtbank miskend. De grieven slagen.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling acht termen aanwezig de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terug te wijzen, om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 24 september 2003 in zaak nr. AWB 02/54267 BEPTDN, voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard en is bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Heide-Boertien, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Van der Heide-Boertien
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2004
319.