Uitspraak 200506079/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AU8502
- Datum uitspraak
- 12 december 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 22 januari 2003 heeft appellant (hierna: de minister) de aan [de vreemdeling] verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd per 12 september 2001 ingetrokken en een aanvraag van de vreemdeling om de aan die vergunning verbonden beperking te wijzigen afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200506079/1.
Datum uitspraak: 12 december 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/44901 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 14 juni 2005 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2003 heeft appellant (hierna: de minister) de aan [de vreemdeling] verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd per 12 september 2001 ingetrokken en een aanvraag van de vreemdeling om de aan die vergunning verbonden beperking te wijzigen afgewezen.
Bij besluit van 15 september 2004 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 29 juli 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 1 tot en met 3 klaagt de minister dat - samengevat weergegeven - de rechtbank heeft miskend dat op de dag, waarop het echtscheidingsverzoek door de voormalige echtgenote van de vreemdeling is ingediend, te weten 12 september 2001, de huwelijksrelatie die tot verblijfsaanvaarding aanleiding had gegeven geëindigd is en niet op de dag, waarop de vreemdeling blijkens de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) niet meer op het adres van de echtelijke woning stond ingeschreven.
Voorts klaagt de minister dat de rechtbank heeft miskend dat, nu van die datum moet worden uitgegaan en de verblijfsvergunning met ingang van die dag is ingetrokken, de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag van de vreemdeling tot wijziging van aan de hem verleende verblijfsvergunning verbonden beperking niet tijdig is ingediend en die aanvraag terecht als een aanvraag voor eerste toelating heeft aangemerkt.
2.1.1. Ingevolge artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden ingetrokken op de gronden, bedoeld in artikel 18, eerste lid.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de beperking, waaronder de vergunning is verleend.
Ingevolge artikel 3.80, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is de aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14, tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend.
Ingevolge het tweede lid wordt de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14, gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning.
Ingevolge artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000 zijn, indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, naar het oordeel van de minister is ontvangen binnen een redelijke termijn, nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van die wet, of als Nederlander, is geëindigd, de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 niet van toepassing en zijn de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing.
2.1.2. In paragraaf B2/5.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is, voor zover thans van belang, vermeld dat de huwelijks- of andere relatie verbroken wordt geacht, indien de desbetreffende vreemdeling en de hoofdpersoon niet meer op hetzelfde adres in de GBA staan ingeschreven of de partners naar buiten toe verschillende adressen voeren. Tenzij een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van paragraaf B2/5.3 kan worden verleend, wordt in een dergelijk geval de verblijfsvergunning ingetrokken, aldus deze passage.
2.1.3. In voormelde paragraaf van de Vc 2000 is aldus geen uitputtende opsomming gegeven van omstandigheden waaronder en situaties waarin in de desbetreffende relatie geen grond is te vinden om voortgezet verblijf hier te lande toe te staan. Voor het oordeel dat de minister uit de indiening van het verzoek tot echtscheiding door de echtgenote van de vreemdeling niet heeft mogen afleiden dat op dat moment niet langer sprake was van de relatie, in verband waarmee de vreemdeling verblijf behoorde te worden toegestaan, bestaat geen grond. Dat de vreemdeling volgens de gegevens van de GBA nog niet van het adres van de echtelijke woning was uitgeschreven, doet daaraan niet af. De minister heeft aan de door de vreemdeling gestelde hoop zijn huwelijk te kunnen redden niet de betekenis hoeven hechten die de vreemdeling daaraan gehecht wilde zien.
Nu de minister ervan heeft mogen uitgaan dat de relatie tussen de vreemdeling en zijn echtgenote sinds 12 september 2001 geen reden opleverde om hem in verband daarmee verblijf hier te lande toe te staan, heeft de minister zich voorts evenzeer terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag tot wijziging van de aan de verblijfsvergunning verbonden beperking niet tijdig is ingediend. De grieven slagen.
2.2. In grief 4 klaagt de minister dat de rechtbank heeft miskend dat hij de vreemdeling in de bezwaarschriftenprocedure niet heeft hoeven horen.
2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juli 2003 in zaak no. 200302801/1, aangehecht ter voorlichting van partijen) vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien, indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1.3. is overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds kon blijken dat het bezwaar van de vreemdeling ongegrond was en redelijkerwijs geen twijfel over die conclusie mogelijk was. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat de vreemdeling tijdens een hoorzitting wellicht alsnog nieuwe gezichtspunten te berde zou brengen, doet daaraan niet af. De grief treft doel.
2.3. De grieven 5 tot en met 7 hebben geen zelfstandige betekenis.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 september 2004, gelet op het vooroverwogene, alsnog ongegrond verklaren. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 14 juni 2005 in zaak no. AWB 04/44901;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Trippert-van Gemeren
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2005
289.