Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200408765/1

Uitspraak 200408765/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AT4663
Datum uitspraak
18 april 2005
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 29 augustus 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200408765/1.
Datum uitspraak: 18 april 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 28 september 2004 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 september 2004, verzonden op 29 september 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 (A), onder 2, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967, (hierna: het Vluchtelingenverdrag) geldt voor de toepassing van dat Verdrag als "vluchteling" elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 1 (F), voor zover thans van belang, zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij:

a. een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen:

b. een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.1.1. Ingevolge artikel 3 gemeenschappelijk aan de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 (hierna: gemeenschappelijk artikel 3) is in het geval van een gewapend conflict dat niet een internationaal karakter draagt, ieder der partijen bij het conflict ten minste gehouden de daarin vermelde bepalingen toe te passen, welke strekken ter bescherming van personen die niet of, tengevolge van ziekte, verwonding, gevangenschap of anderszins, niet meer aan de vijandelijkheden deelnemen. Ingevolge die bepaling zijn de volgende handelingen, ongeacht het moment en de plaats, ten opzichte van die personen verboden:

a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling;

b. het nemen van gijzelaars;

c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;

d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmiskenbaar erkend.

2.1.2. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: het Statuut), voorzover thans van belang, wordt voor de toepassing van dit Statuut onder oorlogsmisdrijven verstaan:

c. In geval van een gewapend conflict dat niet internationaal van aard is, ernstige schendingen van gemeenschappelijk artikel 3 van de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, namelijk een van de volgende handelingen begaan tegen personen die niet actief deelnemen aan de vijandelijkheden, waaronder leden van strijdkrachten die hun wapens hebben neergelegd en degenen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwondingen, gevangenschap of andere oorzaken.

2.2. In de periode van 1986 tot 1992 was in Afghanistan sprake van een gewapend conflict tussen de door de communistische Democratische Volkspartij Afghanistan gedomineerde regering en diverse Mudjahedingroeperingen dat geen internationaal karakter draagt, als bedoeld in gemeenschappelijk artikel 3.

Niet is in geschil dat de vreemdeling in deze periode verschillende functies binnen de Afghaanse regering heeft bekleed. Zo was hij van januari 1986 tot mei 1988 lid van het presidium van de Revolutionaire Raad, vervulde hij gedurende de periode van 1988 tot 1992 de functie van vice-president van Afghanistan en was hij van februari 1989 tot mei 1990 lid van de Opperste Defensieraad.

Evenmin is in geschil dat in Afghanistan in de periode van 1986 tot 1992 ook aan de zijde van de overheid handelingen, die bij gemeenschappelijk artikel 3 verboden zijn, hebben plaatsgevonden.

2.3. In het besluit van 29 augustus 2003 en het daarin ingelaste voornemen daartoe van 21 februari 2003 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling mede verantwoordelijk moet worden gehouden voor de misdrijven die gedurende de periode dat hij de hiervoor vermelde functies vervulde door de politie, de veiligheidsdiensten, het Revolutionair Openbaar ministerie, de Speciale Revolutionaire Rechtbank en andere overheidsdiensten zijn gepleegd. Hij houdt de vreemdeling met name verantwoordelijk voor het folteren van tegenstanders van het regime, het buitengerechtelijk executeren van en opleggen van zware straffen aan hen en moordaanslagen op zulke tegenstanders, alsmede voor het intimideren, bedreigen, mishandelen en doden van burgers en het nemen van gijzelaars en het martelen en doden van deze personen.

 De minister merkt deze gedragingen onder meer aan als oorlogsmisdrijven, als bedoeld in onderdeel a van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, aangezien deze volgens hem schending van gemeenschappelijk artikel 3 opleveren.

2.4. Grief 1 is gericht tegen de overweging dat het betoog van de vreemdeling dat het ten aanzien van hem genomen besluit niet kan worden gebaseerd op het Statuut, aangezien dit op het tijdstip waarop de aan hem tegengeworpen gedragingen plaatsvonden nog niet inwerking was getreden, in zoverre juist is, dat het Statuut niet eerder dan 17 juli 1998, de dag van de totstandkoming ervan, kan gelden als opgestelde internationale overeenkomst in de zin van onderdeel a van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. Volgens de minister miskent de rechtbank aldus dat met de in die verdragsbepaling opgenomen verwijzing naar "internationale overeenkomsten", aan de hand waarvan de daarin vermelde misdrijven nader dienen te worden ingevuld, beoogd is een dynamische interpretatie van die bepaling mogelijk te maken.

In de grieven 5 tot en met 7, gelezen in hun onderlinge samenhang, klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het aanmerken van de aan de vreemdeling tegengeworpen gedragingen als oorlogsmisdrijven, als bedoeld in onderdeel a van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, niet kan baseren op een schending van gemeenschappelijk artikel 3. Met de overweging dat tegenwerping van onderdeel a van artikel 1 (F), gelet op de bewoordingen van die verdragsbepaling, uitsluitend aan de orde kan zijn, indien het desbetreffende feit als misdrijf in een internationale overeenkomst is omschreven en de Verdragen van Genève schending van gemeenschappelijk artikel 3 niet aanmerken als een oorlogsmisdrijf, miskent de rechtbank volgens de minister dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een oorlogsmisdrijf niet slechts de tekst van de desbetreffende internationale overeenkomst van belang is, doch ook de wijze waarop deze tekst in de ter zake dienende jurisprudentie wordt uitgelegd.

2.4.1. De aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is door de minister getoetst aan het door de vreemdeling ter bescherming ingeroepen Vluchtelingenverdrag en het daarin opgenomen artikel 1 (F). Voor de beoordeling of die verdragsbepaling tot afwijzing van de aanvraag noopt, is niet van belang of de desbetreffende vreemdeling strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de hem aangerekende misdrijven, doch slechts vereist dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven, als bedoeld in die bepaling.

Voor een omschrijving van de daarin onder a bedoelde misdrijven, verwijst die verdragsbepaling naar de internationale overeenkomsten, die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen. Voor het oordeel dat een internationale overeenkomst in het kader van de toepassing van artikel 1 (F) slechts van betekenis kan zijn, indien die overeenkomst van toepassing was op het moment waarop de aan de desbetreffende vreemdeling tegengeworpen misdrijven hebben plaatsgevonden, bestaat geen grond. De tekst van de bepaling, noch de door de United Nations High Commissioner for Refugees opgestelde richtlijnen voor de interpretatie en toepassing van het Vluchtelingenverdrag, waaronder de "Guidelines on international protection: Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1952 Convention relating to the Status of Refugees" van 4 september 2003 bieden daarvoor aanknopingspunten. De minister betoogt met recht dat met de verwijzing naar internationale verdragen in onderdeel a van artikel 1 (F) beoogd is de ontwikkelingen op het gebied van het internationaal strafrecht niet uit te sluiten en dat de aldus in deze verdragsbepaling neergelegde aanduiding van misdrijven als oorlogsmisdrijven een zogenoemd dynamisch karakter heeft.

Grief 1 slaagt.

2.4.2. Gemeenschappelijk artikel 3 is een onderdeel van een internationale overeenkomst, als bedoeld in onderdeel a van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, waarin oorlogsmisdrijven worden omschreven.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Verdragen van Genève slechts de daarin als "grave breaches" aangemerkte handelingen, waartoe schending van gemeenschappelijk artikel 3 niet behoort, als oorlogsmisdrijven aanwijzen. Zij heeft daaraan evenwel ten onrechte de conclusie verbonden dat de minister voor het aanmerken van de hiervoor omschreven gedragingen als oorlogsmisdrijven, als bedoeld in onderdeel a van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, niet kan volstaan met verwijzing naar gemeenschappelijk artikel 3. Gelet op het hiervoor bedoelde zogenoemde dynamische karakter van de verwijzing in onderdeel a van artikel 1 (F), betoogt de minister met recht dat bij dat aanmerken niet slechts de tekst van de internationale overeenkomst, waarnaar verwezen wordt, van belang is, doch tevens de wijze waarop deze in met name de ter zake dienende jurisprudentie wordt uitgelegd.

In de uitspraak van 10 augustus 1995 in de zaak Tadic (IT-94-I-T) heeft het Joegoslavië Tribunaal overwogen dat gemeenschappelijk artikel 3 dient te worden aangemerkt als een regel van internationaal gewoonterecht en dat schendingen daarvan gedurende een gewapend conflict oorlogsmisdrijven opleveren, ongeacht of het gewapend conflict een internationaal of een intern karakter draagt. Dat ernstige schendingen van gemeenschappelijk artikel 3 als oorlogsmisdrijven zijn aan te merken, wordt voorts bevestigd, doordat in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van het Statuut is opgenomen dat zodanige schendingen oorlogsmisdrijven constitueren.

Gelet op het bovenstaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich bij het aanmerken van bepaalde gedragingen als oorlogsmisdrijven, als bedoeld in onderdeel a van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, niet mag baseren op een schending van gemeenschappelijk artikel 3.

De grieven 5 tot en met 7 slagen evenzeer.

2.5. Het hoger beroep is reeds om deze redenen kennelijk gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 28 september 2004 in zaak no. AWB 03/51600;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.W. Dreessen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Dreessen
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2005

359.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon