Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200503486/1

Uitspraak 200503486/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AU2772
Datum uitspraak
6 september 2005
Inhoudsindicatie
Bij brief van 10 december 2003 heeft appellant (hierna: de minister), voorzover thans van belang, aan [persoon] naar aanleiding van haar brief van 16 mei 2003 medegedeeld dat hij geen ruimte aanwezig acht de zaak van [de vreemdeling] opnieuw te beoordelen.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200503486/1.
Datum uitspraak: 6 september 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/42033 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 23 maart 2005 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij brief van 10 december 2003 heeft appellant (hierna: de minister), voorzover thans van belang, aan [persoon] naar aanleiding van haar brief van 16 mei 2003 medegedeeld dat hij geen ruimte aanwezig acht de zaak van [de vreemdeling] opnieuw te beoordelen.

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 maart 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 mei 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 4 mei 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van de vreemdeling om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf afgewezen. Bij besluit van 1 oktober 1999 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte onaantastbaar.

2.2. In de brief van 16 mei 2003 heeft [persoon], voorzover thans van belang, de minister namens de vreemdeling verzocht haar zaak opnieuw te bezien en haar een vergunning tot verblijf te verlenen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat, samengevat weergegeven, de vreemdeling in het land van herkomst te vrezen heeft voor mishandeling door haar echtgenoot en zij geen bescherming van de zijde van haar familie, dan wel de overheid, kan verkrijgen.

2.3. In de eerste drie grieven, gelezen in hun onderlinge samenhang, klaagt de minister dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat de brief van 16 mei 2003 geen aanvraag, als bedoeld in het derde lid van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), behelst en zijn reactie daarop geen besluit, als bedoeld in het eerste en tweede lid van dat artikel, is. Daartoe betoogt hij onder meer dat uit het bepaalde in de artikelen 23 en 36 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) volgt dat een derde, die niet de wettelijke vertegenwoordiger van de desbetreffende vreemdeling is, niet namens die vreemdeling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning kan indienen.

2.3.1. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ingevolge de artikelen 23 en 36 van de Vw 2000, voorzover thans van belang, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger.

2.3.2. Uit de tekst, noch de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 23 en 36 van de Vw 2000, blijkt dat de wetgever met deze bepalingen heeft beoogd af te wijken van het bepaalde bij artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Gelet hierop, moet het bij deze bepalingen gestelde vereiste dat de aanvraag wordt ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden begrepen als vereiste dat ziet op de wijze van indiening.

Dat [persoon] geen wettelijke vertegenwoordiger van de vreemdeling is, brengt derhalve niet met zich dat het door haar bij brief van 16 mei 2003 namens de vreemdeling ingediende verzoek geen aanvraag behelst. Dat het verzoek niet op de wettelijk voorgeschreven wijze is ingediend, had de minister wel aanleiding kunnen geven de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb aangegeven weg te volgen. Van die mogelijkheid heeft de minister geen gebruik gemaakt.

2.3.3. Nu de bij brief van 10 december 2003 door de minister gegeven reactie op de brief van 16 mei 2003 een weigering om inhoudelijk te beslissen op de aanvraag behelst, heeft de rechtbank terecht overwogen dat die brief een besluit, als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, is. In zoverre falen de grieven.

2.4. De overige grieven hebben geen zelfstandige betekenis.

2.5. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

2.5.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan de brief van 16 mei 2003 niet worden aangemerkt als een aanvraag om de vreemdeling op grond van de aan de minister toekomende bevoegdheid, voorzien in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Gelet op de inhoud en strekking van de brief behelst deze niet meer dan een verzoek om van de inmiddels in rechte onaantastbare afwijzing van de eerdere aanvragen van de vreemdeling om verlening van - thans - een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd terug te komen.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 10 maart 2005 in zaak no. 200407175/1, JV 2005/180), is een verzoek van een belanghebbende om terug te komen van een eerder genomen in rechte onaantastbaar besluit een aanvraag, waarop een besluit behoort te worden genomen.

2.5.3. Bij brief van 6 januari 2004 heeft de vreemdeling tegen het besluit van 10 december 2003 een bezwaarschrift ingediend, waarop de minister bij brief van 26 augustus 2004 heeft gereageerd. De rechtbank heeft die laatst vermelde brief terecht als beslissing op het bezwaarschrift aangemerkt. Aangezien ingevolge het bepaalde in artikel 79, gelezen in samenhang met artikel 80 van de Vw 2000, tegen het besluit van 10 december 2003 geen bezwaar openstond, zodat de minister het bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift aan de rechtbank had moeten doorzenden, had de rechtbank het door de vreemdeling tegen het besluit van 26 augustus 2004 ingestelde beroep reeds daarom gegrond moeten verklaren en dit besluit dienen te vernietigen.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 26 augustus 2004 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 10 december 2003 wordt als beroepschrift aangemerkt. Dat besluit wordt beoordeeld in het licht van hetgeen daartegen door de vreemdeling is aangevoerd.

2.6.1. Beroep is ingesteld tegen de afwijzing van voormeld verzoek om van de eerdere in rechte onaantastbare afwijzingen terug te komen. Ter bepaling van de omvang van de te verrichten beoordeling dient daarom direct te worden getreden in de vraag of aan dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

2.6.2. In de brief van 16 mei 2003, voorzover thans van belang, is gesteld dat de vreemdeling en haar echtgenoot in september 1997 Nederland zijn binnengekomen, de vreemdeling vervolgens door haar echtgenoot ernstig is mishandeld, de echtgenoot in oktober 1998 naar Soedan is vertrokken en de vreemdeling vreest dat zij bij terugkeer in dat land opnieuw problemen met haar echtgenoot zal krijgen, waartegen zij niet de bescherming van haar familie of van de autoriteiten aldaar kan inroepen.

2.6.3. Aangezien de aldus gestelde feiten en omstandigheden eerder in het bezwaarschrift van 24 juni 1999, gericht tegen het besluit van 4 mei 1999, naar voren zijn gebracht, is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in voormelde zin geen sprake.

2.7. Het door de vreemdeling tegen het besluit van 10 december 2003 ingestelde beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 23 maart 2005 in zaak no. AWB 04/42033;

III. verklaart het bij de rechtbank door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 26 augustus 2004, kenmerk 9709-07-2043;

V. verklaart het door de vreemdeling tegen het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 10 december 2003, kenmerk 9709-07-2043, ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Hazen
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2005

452.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon