Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200308224/1

Uitspraak 200308224/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AP1157
Datum uitspraak
16 april 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 juli 2001 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdelingen] om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200308224/1.
Datum uitspraak: 16 april 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdelingen A] en [vreemdeling B],
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 4 november 2003 in het geding tussen:

[vreemdelingen A]

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2001 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdelingen] om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 4 februari 2002 heeft de minister het daartegen door de vreemdelingen en R. Chen (hierna: de referent) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 november 2003, verzonden op 10 november 2003, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdelingen en de referent ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 december 2003 heeft de minister een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan geen hoger beroep worden ingesteld door een belanghebbende, aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2. [vreemdeling B] heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 4 februari 2002. Er zijn geen omstandigheden gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat dit haar redelijkerwijs niet verweten kan worden. Dat betekent dat het hoger beroep, voorzover door haar ingesteld,

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.3. Hetgeen in de eerste grief naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

2.4. De tweede en derde grief, samengevat weergegeven en in hun onderlinge samenhang gelezen, strekken ertoe dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat voor de referent en zijn Nederlandse echtgenote een objectieve belemmering bestaat voor familie- of gezinsleven in China. Daartoe is betoogd dat de referent in de negatieve belangstelling van de Chinese autoriteiten staat, zodat een reëel risico bestaat dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst wordt onderworpen aan een behandeling, als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Voorts is aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de ziekte van de Nederlandse echtgenote en haar geworteldheid in de Nederlandse samenleving eveneens in de weg staan aan gezinshereniging in China.

2.4.1. Niet is gebleken dat ten tijde van het in beroep bestreden besluit voor de referent objectieve belemmeringen bestonden voor familie- of gezinsleven in China. Nu in de daarvoor bestemde procedure is komen vast te staan dat geen reëel risico bestaat dat hij bij terugkeer naar het land van herkomst wordt onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, kan aan dat gestelde risico niet de door appellanten gewenste waarde worden gehecht. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat de referent, die jarenlang zonder verblijfstitel in Nederland heeft verbleven, zich na de legalisering van zijn verblijf hier te lande, ten tijde van het in beroep bestreden besluit een zodanige positie in de Nederlandse samenleving had verworven dat van hem niet kon worden verlangd dat hij deze positie zou opgeven ten behoeve van het familie- of gezinsleven met de vreemdelingen in zijn land van herkomst. Voorts blijkt uit de in bezwaar overgelegde medische verklaring van 21 november 2002 niet dat er voor de echtgenote van de referent blijvende medische belemmeringen waren om Nederland te verlaten, zodat ook haar gezondheidstoestand, ten tijde van dat besluit, niet in objectieve zin in de weg stond aan voortzetting van het gezinsleven met haar echtgenoot in China. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat van haar op andere gronden niet gevergd zou kunnen worden haar echtgenoot naar diens land van herkomst te volgen. Daarbij is van belang dat ten tijde van het sluiten van het huwelijk geenszins vaststond dat referent een verblijfstitel zou verkrijgen.

Gelet op het voorgaande falen de grieven.

2.5. Het hoger beroep, voorzover ingesteld door de vreemdelingen en de referent, is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voorzover ingesteld door [vreemdeling B], niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Gemert
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004

243-452.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon