Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200405466/1

Uitspraak 200405466/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AS4094
Datum uitspraak
10 december 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 december 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en hem tevens ongewenst verklaard.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200405466/1.
Datum uitspraak: 10 december 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 7 juni 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en hem tevens ongewenst verklaard.

Bij besluit van 29 september 2003 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 juni 2004, verzonden op 8 juni 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 juli 2004 heeft de minister een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief I klaagt appellant dat de rechtbank de omstandigheid dat hij bij onherroepelijke uitspraak van de politierechter te Zutphen van 28 oktober 1998 is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht ten onrechte bij de beoordeling van het besluit van 29 september 2003 heeft betrokken, nu de minister deze veroordeling bij het nemen van dat besluit niet in aanmerking heeft genomen.

Deze klacht is op zichzelf juist, doch kan, gelet op hetgeen hierna inzake grief III wordt overwogen, niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

2.2. In grief II betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat hij gemeenschapsonderdaan is en geen actuele bedreiging van de openbare orde vormt. Ter toelichting heeft hij, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 23 februari 1994 in de zaak C-419/92 (Ingetraut Scholz tegen Opera Universitaria di Cagliari en Cinzia Porcedda, Jur. 1994, p. I-505), gesteld dat zijn echtgenote destijds als Turks onderdaan in het kader van gezinshereniging naar Nederland is gekomen, hier ten lande werkzaam is geweest en de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.

2.2.1. Voormeld arrest betreft de toepassing van artikel 48 (oud), eerste en tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op gemeenschapsonderdanen die, ongeacht hun woonplaats en nationaliteit, gebruik hebben gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die werkzaam waren in een andere lidstaat. Die situatie is hier niet aan de orde.

Grief II faalt.

2.3. In grief III betoogt appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif tegen Zwitserland (no. 54273/00; JV 2001/254) (hierna: de zaak Boultif), dat de rechtbank buiten het geschil is getreden door te overwegen dat sprake is van recidivegevaar, aangezien de minister zich in het besluit van 29 september 2003 op het standpunt heeft gesteld dat recidivegevaar bij de beoordeling van de ongewenstverklaring geen rol speelt en hij dit bij de beslissing op de aanvraag niet heeft betrokken.

Voorts heeft de rechtbank volgens appellant miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze zaak niet vergelijkbaar is met de zaak Boultif.

2.3.1. De minister heeft in het besluit van 29 september 2003 het algemeen belang, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, afgewogen tegen het persoonlijk belang van appellant bij familie- of gezinsleven hier te lande met zijn echtgenote en zijn zoon en daarbij aan het openbare belang doorslaggevend gewicht toegekend. Daarbij heeft de minister mede in aanmerking genomen dat appellant is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaar ter zake van verkrachting, meermalen gepleegd, afpersing en opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven.

Nu het gaat om bijzondere ernstige misdrijven, waarvan één meermalen is gepleegd, heeft de minister er bij de afweging van de in aanmerking te nemen belangen bij de inschatting van de bedreiging die appellant voor de Nederlandse samenleving vormt, van mogen uitgaan dat in de aard van de gepleegde misdrijven een zodanig groot gevaar voor recidive besloten ligt, dat nadere toelichting van dat gevaar achterwege kon blijven.

De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister aldus ten onrechte voorbij is gegaan aan het gevaar voor recidive vanwege de aard van de door appellant gepleegde delicten.

2.3.2. De rechtbank heeft de minister evenzeer terecht gevolgd in diens oordeel dat geen sprake is van een met dat in de zaak Boultif vergelijkbaar geval, aangezien in die zaak sprake was van diefstal in vereniging in 1994 en nadien geen strafbare feiten meer waren gepleegd, terwijl appellant is veroordeeld ter zake van ernstige geweldsmisdrijven en, anders dan Boultif, sedert zijn veroordeling nog gedetineerd is.

Ook grief III faalt.

2.4. Hetgeen in de grief IV naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2.5. In grief V betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het standpunt van de minister dat de gestelde bloedwraak van appellant asielgerelateerd is en deze omstandigheid, gezien de systematiek van de Vw 2000, derhalve niet van belang kan zijn bij de beoordeling van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier en de ongewenstverklaring, onjuist is.

2.5.1. De rechtbank heeft het standpunt van de minister dat de gestelde vrees van appellant om bij terugkeer slachtoffer te worden van bloedwraak verband houdt met de voor verlening van een verblijfsvergunning asiel in artikel 28 van de Vw 2000 vermelde gronden en geen grond kan zijn voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht niet onjuist geacht.

De strikte scheiding tussen asiel en regulier die volgt uit de systematiek van de Vw 2000 brengt evenwel niet mee niet dat bij de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden die plaatsvindt in het kader van een procedure omtrent een reguliere vergunning, omstandigheden die, zoals de gestelde bloedwraak, mede verband houden met de gronden, waarop een verblijfsvergunning asiel kan worden verleend, geen rol kunnen spelen. In zoverre heeft de rechtbank het door appellant gestelde gevaar dat hij en zijn gezin in Turkije slachtoffer worden van bloedwraak en de daaruit, volgens appellant, voorvloeiende belemmering hun gezinsleven in dat land uit te oefenen, ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

Deze aspecten dienen evenzeer te worden betrokken bij de beoordeling van de ongewenstverklaring aangezien, naar volgt uit artikel 67, derde lid, van de Vw 2000, bij handhaving van dat besluit de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier niet kan worden verlengd.

2.5.2. Dat de rechtbank voormelde aspecten niet bij haar beoordeling heeft betrokken, leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant met betrekking tot de gestelde bloedwraak de bescherming van de Turkse autoriteiten kan inroepen en niet gebleken is dat deze geen bescherming kunnen of willen bieden. De enkele stelling van appellant dat hij die bescherming niet kan krijgen, is onvoldoende om te oordelen dat de minister zich niet op dat standpunt heeft mogen stellen.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.F.C. van Rheenen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Rheenen
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2004

385.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon