Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302566/1

Uitspraak 200302566/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AI1117
Datum uitspraak
25 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 28 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een tweede aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302566/1.
Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 21 maart 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een tweede aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 14 januari 2002 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 mei 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van die wet, worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, niet afgewezen wegens het ontbreken van een mvv, indien het betreft de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

2.2. Bij besluit van 10 september 1999 heeft de staatssecretaris een eerdere aanvraag van appellante om haar een vergunning tot verblijf te verlenen buiten behandeling gesteld, omdat zij niet voldeed aan het in artikel 16a, eerste lid, van de destijds geldende Vreemdelingenwet (hierna: de Vw) neergelegde vereiste dat zij beschikte over een geldige mvv, niet was gebleken dat zij behoorde tot een der categorieën die ingevolge artikel 16a, derde lid, van de Vw, dan wel artikel 52a van het destijds geldende Vreemdelingenbesluit in aanmerking kwamen voor vrijstelling van het mvv-vereiste en voorts niet was gebleken dat zij een geslaagd beroep zou kunnen doen op de in artikel 16a, zesde lid, van de Vw neergelegde hardheidsclausule.

Bij besluit van 3 december 1999 heeft de staatssecretaris het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 maart 2001 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het tegen dat besluit door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 april 2003 in zaak nr. 200206882/1, gepubliceerd in JV 2003/219), kan buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. Artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000, verzet zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur, niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, direct moet treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.4. In grief I betoogt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat appellante op medische gronden niet in staat is om in Macedonië een mvv aan te vragen. Volgens appellante had het Bureau Medische Advisering haar medische situatie dienen te beoordelen.

Voorts betoogt zij dat de rechtbank heeft miskend dat haar echtgenoot nog altijd hulpbehoevend is en zij hem dient te steunen.

2.4.1. De aan de tweede aanvraag ten grondslag gelegde medische problemen van appellante, onderbouwd met een brief van het Sint Lucas Andreas ziekenhuis van 11 oktober 2001, zijn nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, aangezien deze zich hebben voorgedaan na voormeld besluit van 3 december 1999 en niet op voorhand is uitgesloten dat ze kunnen afdoen aan het eerdere besluit.

Uit voormelde brief blijkt dat de laatste controle van appellante op 21 maart 2000 plaatsvond, dat appellante doorgaat met oefenen onder leiding van een fysiotherapeut, dat met de chirurg geen nieuwe afspraak is gemaakt en dat restklachten met orthopedisch schoeisel kunnen worden ondervangen.

De rechtbank heeft in deze brief terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich zonder het door appellante voorgestane onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat het voor appellante vanwege haar gezondheidstoestand onverantwoord is om te reizen, zodat artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in dit geval niet van toepassing is.

2.4.2. Het ter onderbouwing van de gestelde hulpbehoevendheid van de echtgenoot van appellante overgelegde geneeskundig rapport van 30 april 1997 dateert van vóór het besluit van 3 december 1999. Niet is gebleken dat dit rapport niet vóór het nemen van dit besluit kon worden overgelegd, zodat het geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is.

Grief I faalt.

2.5. In grief II betoogt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris de algemene situatie in Macedonië behoorde te betrekken bij de beoordeling of sprake is van onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daartoe voert zij aan dat de algemene situatie aldaar zodanig is dat de Minister van Buitenlandse Zaken reizen naar Macedonië die niet noodzakelijk of niet dringend zijn, ontraadt. Appellante behoefde, naar haar zeggen, derhalve geen concrete individuele omstandigheden aan te voeren, waarom zij niet kan terugkeren om in haar land van herkomst een mvv aan te vragen.

2.5.1. Grief II faalt. Uit het systeem van de Vw 2000 volgt dat het beroep van appellante op de algemene situatie in haar land van herkomst dient te worden beoordeeld in het kader van een eventuele aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet en niet in het kader van een beroep op voormelde bepaling. De gestelde veranderde algemene situatie in Macedonië is derhalve geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

2.6. In grief III betoogt appellante dat zij gelet op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) vrijgesteld had behoren te worden van het mvv-vereiste. Daartoe voert zij aan dat zij op latere leeftijd met haar inmiddels zevenenzestig jarige echtgenoot is getrouwd en dat hij een medische behandeling ondergaat. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een belangenafweging in het voordeel van appellante behoort uit te vallen, nu aan alle overige voorwaarden voor het verlenen van de gevraagde verblijfvergunning wordt voldaan en zij en haar echtgenoot gedurende de behandeling van een aanvraag tot verlening van een mvv van elkaar gescheiden zullen zijn.

2.6.1. De grief miskent dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 april 2003 in zaak nr. 200301231/1, gepubliceerd in JV 2003/278), ook indien gesteld wordt dat sprake is van mogelijke schending van voornoemde verdragsbepaling, moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregel, dat buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter kan worden voorgelegd.

De rechter moet derhalve ook bij een gestelde schending van artikel 8 van het EVRM direct treden in de vraag of aan de aanvraag in zoverre nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

2.6.2. Hetgeen ter onderbouwing van het beroep op artikel 8 van het EVRM is aangevoerd, heeft appellante reeds aangevoerd bij haar eerdere aanvraag. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden is derhalve geen sprake.

De rechtbank heeft dit miskend, zodat de gronden van de aangevallen uitspraak in zoverre verbeterd dienen te worden.

2.7. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.F.C. van Rheenen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Rheenen
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

385.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon