Uitspraak 201507130/1/A3


Volledige tekst

201507130/1/A3.
Datum uitspraak: 13 april 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 juli 2015 in zaak nr. 14/7791 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2014 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast dat de woning op het adres [locatie] voor de duur van drie maanden wordt gesloten.

Bij besluit van 25 november 2014 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat te Tilburg, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.M.J. van den Biggelaar, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 13 maart 2014 heeft de politie drugs aangetroffen in de woning, die toen door [appellant] werd bewoond. Gezien de aangetroffen hoeveelheid is de burgemeester van oordeel dat de drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking en niet slechts voor eigen gebruik. De burgemeester heeft daarom op grond van artikel 13b van de Opiumwet sluiting van de woning gelast. Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of een lokaal een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijsten met drugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2. De burgemeester betoogt in verweer dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat [appellant] geen belang bij het hoger beroep heeft. De burgemeester voert hiertoe aan dat de kantonrechter bij onherroepelijk vonnis van 13 november 2013 de huurovereenkomst van [appellant] wegens huurachterstand heeft ontbonden en [appellant] heeft veroordeeld tot ontruiming van de woning. Dat [appellant] de woning heeft moeten verlaten en mogelijk daardoor kosten heeft moeten maken, is geen gevolg van de last tot sluiting, maar van de ontbinding van de huurovereenkomst. Daarnaast is er geen verband tussen de last tot sluiting en de slechte naam die [appellant] beweert te hebben gekregen, aangezien de last geen persoons-, maar objectgebonden besluit is, waarbij de verwijtbaarheid van de eigenaar of gebruiker niet relevant is, aldus de burgemeester.

2.1. Bij vonnis in kort geding van 31 maart 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank een vordering van [appellant] tot een verbod op of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 november 2013 afgewezen. Uit het vonnis van 31 maart 2015 blijkt dat de woning vanaf 16 oktober 2014 ter uitvoering van de last van de burgemeester drie maanden gesloten is geweest en dat [appellant] tot die dag in de woning heeft gewoond, ondanks het vonnis van 13 november 2013. Derhalve heeft de last tot gevolg gehad dat [appellant] de woning niet meer kon bewonen. Daarmee is tot op zekere hoogte aannemelijk dat [appellant] schade heeft geleden als gevolg van de last. Reeds daarom heeft hij belang bij het hoger beroep. Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Hij voert daartoe aan dat hij kampt met drugsverslavingsproblematiek, zoals zijn huisarts heeft bevestigd, en dat hij in verband daarmee inmiddels is opgenomen in een kliniek. Ook zijn huisgenote gebruikte drugs. Gelet hierop, waren de drugs uitsluitend bestemd voor eigen gebruik, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 december 2013 in zaak nr. 201300186/1/A3), mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Daarbij kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, volgens welke een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid drugs is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

3.2. Uit de documenten van de politie betreffende de drugsvondst in de woning op 13 maart 2014 blijkt dat het volgende is aangetroffen: 4 gripzakjes met in totaal 4 gram cocaïne, 1 buisje met 8,27 gram GHB, 20,5 tabletten XTC, 18 gripzakjes met in totaal 45 gram hennep, 1 gripzakje met 1,13 gram hasj en 2 joints met hennep. Cocaïne, GHB en XTC zijn middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, betreffende harddrugs. Hasj en hennep zijn middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, betreffende softdrugs. Aangezien meer dan 0,5 gram harddrugs en meer dan 5 gram softdrugs zijn aangetroffen, is in beginsel aannemelijk dat de drugs deels of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat hij met drugsverslavingsproblematiek kampt en dat ook zijn huisgenote drugs gebruikte, maakt het niet onwaarschijnlijk dat de drugs in ieder geval deels bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Hiertoe is van belang dat verschillende soorten drugs zijn aangetroffen, waarvan de hoeveelheden ruimschoots de door het openbaar ministerie als voor eigen gebruik bestemde maximumhoeveelheden overschrijden. Bovendien heeft [appellant] blijkens de desbetreffende zittingsaantekeningen van de griffier ter zitting bij de rechtbank verklaard dat hij wel eens drugs weggaf.

3.3. Gezien het voorgaande, mocht de burgemeester zich op het standpunt stellen dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. De rechtbank is met juistheid tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt tevens dat de rechtbank heeft miskend dat toepassing van artikel 13b van de Opiumwet in dit geval onredelijk is. Hij voert daartoe aan dat de toepassing hem een slechte naam heeft bezorgd, hetgeen het vinden van een nieuwe woning bemoeilijkt. Het belang bij sluiting van de woning woog niet op tegen deze nadelige gevolgen voor hem, aldus [appellant].

4.1. Nu, zoals hiervoor is overwogen, in de woning drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking aanwezig waren, was de burgemeester bevoegd om krachtens artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen. Artikel 13b van de Opiumwet voorziet niet in een verplichting om een last op te leggen in een situatie als beschreven in het artikel, maar in een mogelijkheid daartoe. Ter invulling van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid heeft de burgemeester de "Beleidsregels Artikel 13b Opiumwet in de B5-gemeenten" vastgesteld. Volgens deze beleidsregels wordt bij een eerste constatering van een handelsvoorraad harddrugs van meer dan 0,5 gram in een woning overgegaan tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden. Gelet op het belang bij het tegengaan van verkoop, aflevering of verstrekking van drugs in of vanuit woningen, acht de Afdeling dit beleid niet onredelijk. De in dit geval opgelegde last onder bestuursdwang is overeenkomstig het beleid. Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt een bestuursorgaan overeenkomstig een beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hetgeen [appellant] over de gevolgen voor zijn reputatie heeft aangevoerd, is geen reden om toepassing van het beleid onevenredig te achten, reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, hij zelf heeft verklaard drugs te hebben weggegeven. Derhalve heeft de rechtbank toepassing van artikel 13b van de Opiumwet in dit geval terecht niet onredelijk geacht. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Borman w.g. De Vries
lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016

582.