Uitspraak 200202765/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2002:AH9548
- Datum uitspraak
- 24 juli 2002
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 22 januari 2002 heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200202765/1.
Datum uitspraak: 24 juli 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 16 mei 2002 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2002 heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 16 mei 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 3 juni 2002 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2002, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te ‘s-Gravenhage, en de vreemdeling in persoon, bijgestaan door mr. K. Wijnmale, advocaat te Dordrecht, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden zijn aan te merken als klemmende redenen van humanitaire aard, in verband waarmee op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een verblijfsvergunning kan worden verleend. Voorts heeft zij volgens de staatssecretaris miskend dat op grond van individuele omstandigheden geen categoriale bescherming kan worden geboden.
2.1.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.
2.1.2. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde omstandigheid dat de vreemdeling ernstige hartklachten heeft, geen verband houdt met de redenen van vertrek uit het land van herkomst en derhalve niet tot verlening van een verblijfsvergunning asiel kan leiden, als bedoeld in voormelde bepaling.
2.2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.
2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 januari 2002 in zaak nr. 200105382/1, gepubliceerd in JV 2002/76), bestaat er geen grond om te oordelen dat de staatssecretaris zich op basis van de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië van 16 februari 2000 en 12 juni 2001 ten aanzien van minderheidsgroepen in het algemeen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat terugkeer naar, dan wel verblijf in, het noorden van Somalië in verband met de algehele situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is.
De tekst van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 stelt buiten twijfel dat de vraag of een asielzoeker op de voet van die bepaling voor toelating in aanmerking komt, moet worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. De door appellant gestelde, hiervoor vermelde, individuele omstandigheid is daarbij niet van belang. Gelet op het vorenoverwogene, slaagt de grief.
2.3. Grief 2 klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het haar niet vrij stond om het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag gegrond te verklaren, omdat zich een medisch beletsel tegen de uitzetting van de vreemdeling voordoet.
2.3.1. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, van rechtswege tot gevolg dat:
a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;
b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;
c. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn.
Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.
Ingevolge artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf, indien tegen de uitzetting beletselen bestaan, als bedoeld in artikel 64.
2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 april 2002 in zaak nr. 200200710/1, gepubliceerd in JV 2002/169) dient de rechter de afwijzing van de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel te toetsen in het licht van het mede daaraan verbonden rechtsgevolg. Dat betekent echter niet dat dit rechtsgevolg los van de strekking van de beschikking op de asielaanvraag waaruit het voortvloeit kan worden beoordeeld. Derhalve staat het de rechter niet vrij het beroep tegen de afwijzing van die aanvraag gegrond te verklaren, alhoewel er geen grond is voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, louter omdat enig aan de afwijzing van rechtswege verbonden gevolg op zichzelf beschouwd de vreemdeling ernstig in zijn belangen treft. De redenen waarom dit laatste in dit geval zo is, houden geen verband met de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 opgesomde gronden. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag wegens de gezondheidsproblemen van de vreemdeling niet mocht afwijzen.
2.4. Voorzover de staatssecretaris in de tweede grief tevens betoogt dat de rechtbank ook heeft miskend dat de beslissing om de uitzetting van de vreemdeling met toepassing van artikel 64 van de Vw 20000 achterwege te laten, los staat van de weigering om appellant een verblijfsvergunning asiel te verlenen, slaagt dat betoog evenzeer.
2.4.1. Uit de hiervoor onder 2.3.1. weergegeven bepalingen volgt dat met de afwijzing van de asielaanvraag de in artikel 45 van de Vw 2000 geregelde rechtsgevolgen zijn ingetreden. Eerst nadien kon aanleiding bestaan om artikel 64 van de Vw 2000 toe te passen. Toepassing van die bepaling door de staatssecretaris heeft ertoe geleid dat de rechtsgevolgen van de afwijzing van de aanvraag zijn opgeschort, alsmede dat de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft. Uit de wet vloeit tevens voort dat de van rechtswege aan de afwijzing verbonden rechtsgevolgen bij de beëindiging van de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 van rechtswege zullen herleven, derhalve zonder dat daarover nieuwe besluitvorming behoeft plaats te vinden. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 niet aan de afwijzing van de aanvraag in de weg staat.
2.5. Het hoger beroep is reeds om voormelde redenen gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
2.6. Nu de onbestreden gebleven overwegingen geen aanleiding geven tot een ander oordeel, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren. Het staat de vreemdeling overigens vrij om een verblijfsvergunning regulier aan te vragen in verband met de door hem gestelde gezondheidsproblemen. De staatssecretaris zal in dat geval moeten beoordelen of hij voor de verlening daarvan in aanmerking komt.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 16 mei 2002 in zaak nr. AWB 02/6161;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Frenkel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002
206-346.