Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302933/1

Uitspraak 200302933/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AH9314
Datum uitspraak
27 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 12 december 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van appellanten om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302933/1.
Datum uitspraak: 27 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellanten],
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 26 maart 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 12 december 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van appellanten om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 maart 2003, verzonden op 9 april 2003, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 mei 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dit artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.2. Grief I is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat zij in het midden zal laten of, zoals door de staatssecretaris is gesteld, het asielrelaas van appellanten voor ongeloofwaardig moet worden gehouden, nu niet geoordeeld kan worden dat appellanten elders in Pakistan geen vestigingsalternatief hebben. Volgens appellanten heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten een oordeel te geven over hun betoog in eerste aanleg dat het standpunt van de staatssecretaris dat het asielrelaas ongeloofwaardig is de marginale toetsing niet kan doorstaan, nu het louter gebaseerd is op de door de staatssecretaris gestelde ongedocumenteerdheid van appellanten.

2.2.1. De rechtbank heeft in het midden gelaten of de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van appellanten ongeloofwaardig is. Door aldus voorbij te gaan aan de primaire afwijzingsgrond, neergelegd in de besluiten en bestreden door appellanten, heeft de rechtbank nagelaten die besluiten, zoals ze bij haar voorlagen, te toetsen aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. Dit klemt temeer, nu niet geheel valt uit te sluiten dat die primaire afwijzingsgrond de - subsidiair gegeven - beoordeling of appellanten een vlucht- dan wel vestigingsalternatief in Pakistan hebben enigermate heeft beïnvloed. In zoverre slaagt de grief.

2.3. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De overige grieven behoeven derhalve geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.4. In de in de bestreden besluiten geïnsereerde voornemens heeft de staatssecretaris ampel gemotiveerd uiteengezet waarom hij het appellanten toerekent dat zij de documenten, waarover zij naar eigen zeggen de beschikking hebben gehad - waaronder de vervalste paspoorten waarmede zij zijn ingereisd en de waarschuwingsbrief die aan de zoon van appellanten door de ontvoerders zou zijn meegeven -, niet hebben overgelegd, hoewel zij daarmede hun reisverhaal en asielrelaas hadden kunnen onderbouwen, en dat aldus afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas.

Ten vervolge op deze stellingname heeft de staatssecretaris in de voornemens en de bestreden besluiten uiteengezet dat de door [appellant A] afgelegde verklaringen over de ontvoering op 10 juni 2001 op onderdelen vaag zijn en ten dele enkel gebaseerd zijn op vermoedens van deze appellant, het afbreuk doet aan de aannemelijkheid van het relaas dat appellant zijn verklaringen mede heeft gebaseerd op gesprekken tussen de ontvoerders, welke gesprekken gevoerd werden in een taal die hij naar eigen zeggen niet beheerst, en het bevreemding wekt dat er geen aangifte gedaan is van de ontvoering, noch van de ontvoering van de zoon van appellanten.

2.5. De Afdeling stelt voorop dat de staatssecretaris de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas niet uitsluitend heeft gebaseerd op het ontbreken van voor de beoordeling van de aanvragen noodzakelijke documenten.

Gelet op de stukken, waaronder het beroepschrift van appellanten, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdelingen geen afdoende verklaring hebben kunnen geven voor het ontbreken van deze documenten. In het licht hiervan dient ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, het relaas niet alleen consistent en niet onaannemelijk te zijn, doch mogen daarin ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan. De staatssecretaris heeft in de bestreden besluiten, gelezen in samenhang met de voornemens, afdoende gemotiveerd waarom het asielrelaas van appellanten vaagheden en ongerijmde wendingen vertoont en derhalve evenbedoelde overtuigingskracht mist. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van appellanten ongeloofwaardig is.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene heeft de staatssecretaris terecht geoordeeld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun aanvragen gegrond zijn op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

De Afdeling zal de inleidende beroepen derhalve ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 26 maart 2003 in zaak nrs. AWB 02/4715 en 02/7205;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.W. Mackenzie, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Mackenzie
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2003

44/310-434.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon