Uitspraak 200409554/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AS2601
- Datum uitspraak
- 22 december 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 oktober 2004 is [de vreemdeling] in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200409554/1.
Datum uitspraak: 22 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 november 2004 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2004 is [de vreemdeling] in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 november 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en bevolen dat de inbewaringstelling wordt opgeheven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 november 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Grief 1 richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat, nu de vreemdeling ter zitting van 17 november 2004 niet kon worden gehoord en de eerstvolgende gelegenheid daartoe bestond op 24 november 2004, de in artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) gestelde termijn is geschonden. Volgens de minister is de rechtbank voorbijgegaan aan zijn betoog ter zitting, dat zij de behandeling van het beroep alsnog binnen de wettelijke termijn bij een nevenzittingsplaats kon laten plaatsvinden.
2.1.1. Ingevolge artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000, voorzover thans van belang, bepaalt de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De zitting vindt uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon of bij raadsman te verschijnen teneinde te worden gehoord.
2.2. Op 8 november 2004 heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen zijn inbewaringstelling. Voor de behandeling van het beroep ter zitting van 17 november 2004 is de vreemdeling echter niet aangevoerd, zonder dat is gebleken dat daarvoor redenen waren die binnen zijn risicosfeer lagen. Aangezien de vreemdeling bij de rechtbank eerst na afloop op 22 november 2004 van de in artikel 94, tweede lid, gestelde termijn opnieuw kon worden gehoord, heeft de rechtbank bevolen de inbewaringstelling op te heffen.
De minister klaagt terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn verzoek de vreemdeling binnen de wettelijke termijn bij een andere nevenzittingsplaats op te roepen. Dit leidt evenwel niet tot het ermee beoogde doel. Van de rechtbank kan niet worden verwacht dat zij bewerkstelligde dat de vreemdeling werd opgeroepen teneinde binnen de in artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000, gestelde termijn bij een nevenzittingsplaats te worden gehoord.
Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank gebruik had moeten maken van haar bevoegdheid om het onderzoek ter zitting te schorsen. Een verplichting daartoe volgt niet uit artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000. Dat volgens de minister de termijn in die bepaling per 1 september 2004 is verlengd om de rechtbank meer armslag te bieden bij de planning van zaken op zitting, leidt evenmin tot een ander oordeel. Anders dan de minister in de toelichting op de grief betoogt, kan uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van die bepaling (TK 2002-2003, 28 749, nr. 3) niet worden opgemaakt dat die wijziging ten doel heeft de rechtbanken gelegenheid te bieden logistieke problemen bij het aanvoeren van vreemdelingen op te lossen door geplande zittingen uit te stellen.
Grief 1 faalt.
2.3. Grief 2 mist zelfstandige betekenis.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Van Tielraden
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2004
156-428.