Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 102.757
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202406707/1/R2

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe de aanvraag van [appellante] voor een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) afgewezen. [appellante] exploiteert een melkveehouderij aan de [locatie] in Tiendeveen. Op 18 mei 1982 is een Hinderwetvergunning voor de oprichting van de rundveehouderij verleend. Op 28 oktober 1996 is een milieuvergunning verleend voor het houden van 2 schapen, 80 stuks vrouwelijk jongvee, 26 vleesstieren en 110 melk- en kalfkoeien, met een totale emissie van 1.974,2 kg NH3 per jaar. Vervolgens is op 27 maart 2008 een milieuvergunning verleend, voor het houden van 302 melk- en kalfkoeien en 188 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, met een totale emissie van 4.556,90 kg NH3 per jaar. [appellante] heeft op 21 december 2021 de oorspronkelijke aanvraag voor een natuurvergunning aangepast en aangevuld. De aangepaste aanvraag heeft betrekking op het houden van 440 melk- en kalfkoeien en 189 stuks jongvee, met een totale emissie van 4.432,05 kg NH3 per jaar. Deze aanvraag leidt volgens [appellante] niet tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de milieuvergunning van 27 maart 2008. De referentiesituatie kan volgens [appellante] aan die milieuvergunning worden ontleend, omdat die milieuvergunning is getoetst aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De milieuvergunning is daarom een besluit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2076
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Natuurbescherming
  • uitspraakin de zaak202406707/1/R2

202407408/1/A3

Bij besluit van 26 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk een aanvraag van [appellante] om toekenning van een briefadres in de gemeente Beverwijk buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 31 maart 2023 heeft het college de gegevens van [appellante] op laten nemen in het register van niet-ingezetenen. Vervolgens heeft [appellante] het college verzocht een briefadres toe te kennen. Het college heeft dit afgewezen omdat [appellante], ondanks een verzoek tot aanvulling van de aanvraag, geen informatie wilde verschaffen over haar woonadres en haar aanvraag om die reden incompleet was. Verder heeft [appellante] het college verzocht om hervestiging op het adres [locatie] in Beverwijk. Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat onduidelijk is waar [appellante] verblijft en zij daar ook geen duidelijkheid over wil verschaffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2064
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202407408/1/A3

202500032/1/A3

Op 1 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere de minderjarige dochter van [appellante] ingeschreven op het adres van de vader van de dochter. De vader van de minderjarige dochter van [appellante] heeft het college verzocht de minderjarige dochter in te schrijven op het adres van de vader. Het college is hiertoe overgegaan op 1 maart 2023. Volgens het college blijkt uit een adresonderzoek dat [appellante] niet meer op de [locatie] in Almere woont en is vertrokken naar een onbekend adres in Duitsland. De vader van de minderjarige dochter van [appellante] heeft het college verzocht de minderjarige dochter in te schrijven op het adres van de vader. Het college is hiertoe overgegaan op 1 maart 2023. Volgens het college blijkt uit een adresonderzoek dat [appellante] niet meer op de [locatie] in Almere woont en is vertrokken naar een onbekend adres in Duitsland. [appellante] heeft bezwaar gemaakt. Volgens haar is de inschrijving op het adres van de vader zonder haar toestemming gedaan, het voornemen niet met haar gedeeld en het besluit niet per brief toegezonden. Het college heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens het college geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2065
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202500032/1/A3

202500536/1/A3

Bij besluiten van 30 juni 2022 en 23 maart 2023 heeft de Nationale ombudsman beslist op verzoeken van [appellant] om verstrekking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). [appellant] betoogt dat de rechtbank de Nationale ombudsman ten onrechte is gevolgd in zijn standpunt dat een bepaalde medewerker van de Nationale ombudsman onder de bescherming valt van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Volgens hem heeft de rechtbank niet onderkend dat deze medewerker vanuit zijn functie naar buiten treedt, bijvoorbeeld in contacten met gemeenten, bij het verzorgen van presentaties en in publicaties. Verder heeft de rechtbank volgens hem niet onderkend dat de te maken belangenafweging in het kader van een verzoek om verstrekking van informatie op grond van artikel 5.5 van de Woo, zoals hier aan de orde, een andere is dan de te maken belangenafweging in het kader van een verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van artikel 4.1 van de Woo.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2063
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202500536/1/A3

202500964/1/R2

Bij besluit van 16 december 2024 heeft de raad van de gemeente Best het "TAM-omgevingsplan Oostzijde stationsomgeving Best" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Best vastgesteld. Spoorzone wil als initiatiefnemer het gebied aan de oostzijde van het stationsgebied in Best herontwikkelen. Het gebied heeft momenteel een rommelige en versteende opzet, waarbij de ligging tussen het treinstation en het centrum niet optimaal gebruikt wordt. Het doel is om de stationsomgeving te transformeren naar een levendig en aantrekkelijk verblijfsgebied, als entree voor Best met een groene verbinding naar het centrum en een inpassing van het busstation te realiseren. In totaal biedt het gebied ruimte voor 2.500 m² aan commerciële voorzieningen en voor maximaal 600 woningen (voornamelijk appartementen). Omdat de gewenste ontwikkeling niet past binnen het bestemmingsplan "Centrum, stationsgebied e.o.", dat deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, is besloten om een TAM-omgevingsplan vast te stellen. Stichting Molenhuis is een stichting die is opgericht om de belangen te behartigen van de bewoners die in het Molenhuis wonen. Het Molenhuis staat aan de Molenstraat en is een woon-/zorgcentrum waarin mensen met een verstandelijke beperking begeleid wonen. Stichting Molenhuis is bang dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners van het Molenhuis.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2092
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202500964/1/R2

202501229/1/A2

Bij besluit van 28 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven de aanvraag van [appellante] om bekostiging van leerlingenvervoer voor haar zoon [kind] voor het schooljaar 2023-2024 afgewezen. [kind] is geboren op [geboortedatum] 2016. Toen [kind] naar school moest, ging hij naar basisschool De Taalbrug/Blixembosch in Eindhoven. Omdat [kind] bepaalde problemen heeft, is hij overgestapt naar de Petraschool in Eindhoven. Dit is een school voor speciaal basisonderwijs (SBO). Op deze school kwam hij door verschillende redenen niet goed mee. Aan het eind van schooljaar 2022-2023 is hij daarom met toestemming van de leerplichtambtenaar thuisgebleven. Sinds augustus 2023 gaat [kind] naar school op De Reis van Brandaan in Eindhoven. Ook deze school is een SBO. [appellante] heeft aan het college een vergoeding gevraagd voor de kosten die zij moet maken om haar zoon [kind] met de auto naar de De Reis van Brandaan te brengen en daar weer op te halen. De school is 9,9 kilometer rijden vanaf de woning van [appellante] en [kind]. Het college heeft de aanvraag van [appellante] bij besluit van 28 november 2023 afgewezen, omdat De Reis van Brandaan niet de dichtstbijzijnde toegankelijk school is voor [kind].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2062
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202501229/1/A2

202501266/1/A2

Bij besluit van 4 januari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellant] om overneming van een private schuld afgewezen. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om overname van een schuld van € 1.600,00 bij een bank. De minister heeft de schuld niet overgenomen. Volgens de minister is de schuld niet opeisbaar geworden voor 1 juni 2021, zodat niet is voldaan aan de vereisten uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) voor het overnemen van private schulden. Ook betreft de schuld een kredietlimiet (roodstand), die op grond van de Wht wordt aangemerkt als een financieel product. De bank heeft het krediet echter nooit opgeëist en er was geen sprake van een blijvende betalingsachterstand. Bovendien bevond de schuld zich op het moment van aflossing op 17 februari 2021 binnen de overeengekomen kredietlimiet, waardoor niet was voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2098
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501266/1/A2

202501338/1/A2

Bij besluit van 11 december 2023 heeft het samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor [kind], de zoon van [appellant]. In geschil is of het samenwerkingsverband voor [kind] een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor de periode 11 december 2023 tot en met 31 juli 2026 mocht afgeven. [kind] is geboren op [geboortedatum] 2008. In de periode 2012-2020 heeft hij regulier onderwijs gevolgd op basisschool de Koningin Julianaschool in Nieuwegein. In het schooljaar 2020-2021 heeft [kind] regulier voortgezet onderwijs gevolgd op het Oosterlicht College in Nieuwegein. Hij zat in een structuurklas met tien leerlingen. In dat schooljaar kreeg [kind] een verwijzing naar Rebound Zuid Utrecht. Het traject bij Rebound was gericht op terugkeer naar het Oosterlicht College, maar dit traject is vroegtijdig beëindigd vanwege veel schoolverzuim. Het samenwerkingsverband heeft, na een aanvraag van het Oosterlicht College, een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor de periode 15 november 2021 tot en met 31 juli 2023. In het schooljaar 2022-2023 is [kind] gestart op De Baanbreker in IJsselstein. Dat is een school voor regulier praktijkonderwijs. Op 14 november 2023 heeft De Baanbreker een aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor [kind] ingediend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2060
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202501338/1/A2

202501369/1/A2

Bij besluit van 25 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer een door [wederpartij] verbeurde dwangsom van € 3.000,00 ingevorderd. Bij besluit van 25 mei 2021 heeft het college aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd om de onzelfstandige bewoning in het pand aan de [locatie] in Deventer (de woning) binnen drie maanden te staken en gestaakt te houden. Het college heeft hierbij vermeld dat [wederpartij] de last kan uitvoeren door de bewoning terug te brengen tot maximaal twee personen of door de woning weer om te zetten naar zelfstandige woonruimte. Aan het niet of niet geheel voldoen aan de last heeft het college een dwangsom verbonden van € 3.000,00 per maand of een gedeelte daarvan, met een maximum van € 15.000,00. De woning is op 7 augustus 2023 gecontroleerd door toezichthouders van de gemeente Deventer. Zij hebben in de woning mevrouw [bewoner A] aangetroffen. Zij heeft verklaard dat in de woning vier personen wonen: [bewoner B] en [bewoner C], hun kind van één jaar oud [kind], en zijzelf. [bewoner A] heeft gesteld het nichtje van [bewoner B] te zijn en samen met het kind in het kinderbed te slapen. Tijdens de controle is [bewoner B] aangekomen in de woning. Hij heeft verklaard samen met zijn vrouw en kind in de woning te wonen. [bewoner A] is volgens hem de oppas van het kind en woont in Apeldoorn. Hij haalt haar elke keer op.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2089
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202501369/1/A2

202501447/3/R2

Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de raad van de gemeente Alphen-Chaam het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Alphen-Chaam 2023" vastgesteld. De termijn voor het indienen van beroep is ingegaan op 26 februari 2025 en geëindigd op 8 april 2025. [appellant] heeft bij brief van 4 april 2025 beroep ingesteld, maar de gronden van zijn beroep niet vermeld. In de brief van de Afdeling van 8 april 2025, waarin de ontvangst van het beroepschrift is bevestigd, is [appellant] erop gewezen dat hij geen gronden heeft aangevoerd en dat hij tot en met 20 mei 2025 de tijd krijgt om dat alsnog te doen. [appellant] heeft vervolgens bij een bij de Afdeling op 19 mei 2025 binnengekomen brief verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden, in verband met een lopend mediationtraject met de gemeente. Bij brief van 22 juli 2025 heeft de Afdeling [appellant] een nadere termijn tot 1 december 2025 gegeven om de gronden in te dienen. Bij brief van 25 november 2025 heeft [appellant] wederom verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden in verband met het lopende mediationtraject.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1899
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202501447/3/R2
vorige pagina1...202122...10.276volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon