Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 125.916
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202407120/1/A3

Mondelinge last onder bestuursdwang wordt gelijkgesteld met schriftelijk besluit. Uitspraak in een zaak waarin het college van B&W een mondelinge last onder bestuursdwang heeft gegeven. Het college gaat bij voorkeur op deze manier te werk en als de overtreder voldoet aan de last en de overtreding zelf op tijd beëindigt, wordt deze vervolgens niet op schrift gesteld. Hiermee wordt niet voldaan aan één van de vereisten voor het aannemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat een belanghebbende alleen tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter, zou dit tot gevolg hebben dat geen rechtsbescherming bij de bestuursrechter openstaat tegen een last onder bestuursdwang die niet schriftelijk maar alleen mondeling is opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt in de uitspraak van vandaag dat tegen een mondeling opgelegde last onder bestuursdwang rechtsbescherming open moet staan bij de bestuursrechter. De bestuursrechter is, anders dan de civiele rechter, bij uitstek aangewezen over zo’n bestuursrechtelijk geschil te oordelen. In deze zaak heeft de persoon die de last kreeg opgelegd een beroepsmogelijkheid gecreëerd bij de bestuursrechter door bezwaar in te dienen tegen de weigering van het college van B&W om de last op schrift te stellen. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak ziet “uit oogpunt van efficiënte rechtsbescherming” aanleiding de mondeling opgelegde last gelijk te stellen met een besluit. Dit heeft tot gevolg dat het college van B&W de inhoudelijke bezwaren tegen de opgelegde last moet behandelen en daarover een beslissing op bezwaar moet nemen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4600
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202407120/1/A3

202407228/1/A3

Bij besluit, verzonden op 25 april 2023, heeft de burgemeester van Deventer aan [appellant] twee lasten onder dwangsom opgelegd. Op 20 februari 2023 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in het bedrijfspand aan de [locatie] in Deventer (het pand). Op 6 april 2023 heeft de burgemeester [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt om [appellant] in verband daarmee op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang, strekkende tot tijdelijke sluiting van het pand, op te leggen. Inmiddels had de eigenaar van het pand de sloten van het pand vervangen, waardoor [appellant] geen toegang meer had. [appellant] is gelast om geen handelshoeveelheid van een middel als bedoeld in lijst I of lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf binnen het grondgebied van de gemeente Deventer te verkopen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, af te leveren, te verstrekken of aanwezig te hebben. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was de lasten op te leggen. Volgens hem biedt dat artikel alleen een grondslag voor de oplegging van maatregelen die op het pand zijn gericht en is daarvan in dit geval geen sprake.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4578
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202407228/1/A3

202407306/4/R3

Bij uitspraak, deels tussenuitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:640, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 26 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oostvaarderskwartier Hazerswoude-Dorp" te herstellen. De Afdeling heeft in haar uitspraak, deels tussenuitspraak van 4 februari 2026 naar aanleiding van de beroepsgronden van [appellant] en anderen geoordeeld dat de raad de aanleg en instandhouding van een trottoir op de Heerenlaan had moeten borgen en het besluit van 26 september 2024 in zoverre een gebrek vertoont. Bij besluit van 28 mei 2026 heeft de raad het bestemmingsplan "Oostvaarderskwartier Hazerswoude-Dorp" gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4593
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202407306/4/R3

202500096/1/A3

Bij besluit van 17 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht een verzoek van [appellant] om wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellant] is op 24 juli 2017 op basis van een verklaring onder ede in de brp ingeschreven als [voornaam] [achternaam appellant], geboren op [geboortedatum] 1987 in [plaats], China. [appellant] heeft het college op 9 november 2022 verzocht om opneming van zijn oudergegevens in de brp en heeft daarbij een nieuwe verklaring onder ede afgelegd. Volgens [appellant] is de geslachtsnaam van zijn vader [andere achternaam], wat de Oeigoerse schrijfwijze is. Het college heeft het verzoek bij het besluit van 17 februari 2023 afgewezen. Omdat de Oeigoeren geen zelfstandige staat hebben die door de Verenigde Naties is erkend, houdt het college de Chinese schrijfwijze aan. Het college heeft de afwijzing bij het besluit van 1 augustus 2023 gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4599
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie
  • uitspraakin de zaak202500096/1/A3

202500311/1/R2

Bij besluit van 7 november 2024 heeft de raad van de gemeente Someren het bestemmingsplan "[locatie 1]/Esdoornstraat Someren" vastgesteld. Het plan voorziet in de realisatie van een twee-onder-één kapwoning aan de Esdoornstraat in Someren-Eind. [partij] is initiatiefnemer en woont aan de [locatie 1]. Dat is een woning die is gesitueerd op de hoek van de Esdoornstraat en Kampstraat. De twee-onder-één kapwoning wordt gerealiseerd in de huidige tuin van [partij], gelegen aan de Esdoornstraat. [appellant A] woont direct grenzend aan het plangebied aan de [locatie 2] en [appellant B] woont direct grenzend aan de woning van [partij] aan de [locatie 3]. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat zij vrezen voor de aantasting van hun woon- en leefklimaat.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4574
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202500311/1/R2

202500375/1/A3

Bij besluit van 13 november 2020 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een bestuurlijke boete van € 50.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). [appellante] organiseerde bootcamps en gezondheidskampen voor volwassenen en kinderen. Naar aanleiding van een anonieme melding is de Inspectie Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid (Arbeidsinspectie) op 13 maart 2019 een oriënterend onderzoek gestart naar [appellante]. Op 27 maart 2019 heeft de Arbeidsinspectie een administratieve werkplekcontrole ingesteld. Vervolgens heeft de Arbeidsinspectie nadere onderzoeken verricht. Op 12 februari 2020 heeft de Arbeidsinspectie een boeterapport opgesteld waarin staat dat [appellante] ten aanzien van tien werknemers niet of niet tijdig bescheiden heeft verstrekt van het aantal gewerkte uren, waardoor het niet mogelijk was om na te gaan of [appellante] de Wml heeft nageleefd. Op 17 augustus 2020 heeft de minister een voornemen tot oplegging van een boete aan [appellante] gestuurd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4583
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202500375/1/A3

202500819/1/A3

Bij besluit van 21 maart 2022 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen. [appellant] heeft op verzoek van de Venlose Senioren Partij een VOG aangevraagd met als doel een werkrelatie in het kader van de functie van gemeenteraadslid. De staatssecretaris heeft deze aanvraag aanvankelijk bij besluit van 21 maart 2022 afgewezen. Bij besluit van 12 juli 2022 heeft de staatssecretaris laten weten dat het besluit van 21 maart 2022 wordt ingetrokken en alsnog besloten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Hieraan ligt ten grondslag dat de gemeenteraadsverkiezingen op 16 maart 2022 hebben plaatsgevonden en de politieke partij de keuze heeft gemaakt om [appellant] op de verkiezingslijst te plaatsen zonder VOG. [appellant] is ook geïnstalleerd als raadslid en de politieke partij kan hem zijn zetel niet ontnemen. Voor het doel van de aanvraag, de kandidaatstelling voor de gemeenteraadsverkiezingen namens de politieke partij, is een onderzoek naar het gedrag daarom niet noodzakelijk. Het college is hierbij in het besluit op bezwaar gebleven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4596
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Verklaring omtrent gedrag
  • uitspraakin de zaak202500819/1/A3

202500987/1/R3, 202500992/1/R3, 202500994/1/R3 en 202500997/1/R3

Bij besluiten van 10 juli 2024 heeft het college ten behoeve van de bestemmingsplannen "Spoorweglaan Best" en "Spoorweglaan - Vogelkers" hogere grenswaarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld. Het bestemmingsplan "Spoorweglaan Best" maakt de bouw van maximaal 25 appartementen mogelijk, verdeeld over twee aaneengesloten gebouwen. Het bestemmingsplan "Spoorweglaan - Vogelkers" maakt de bouw van 24 appartementen, 9 geschakelde patiowoningen en 2 vrijstaande woningen mogelijk en een bestaande bedrijfswoning wordt herbestemd. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1]. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2]. [appellanten sub 3] wonen aan de [locatie 3]. Deze percelen liggen direct naast de gronden waarop het bestemmingsplan "Spoorweglaan - Vogelkers" betrekking heeft. Zij zijn het niet eens met beide bestemmingsplannen, met name omdat zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4587
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202500987/1/R3, 202500992/1/R3, 202500994/1/R3 en 202500997/1/R3

202501099/1/R3

Bij besluit van 29 november 2024 heeft de raad van de gemeente Den Haag het bestemmingsplan "Dreven 1" vastgesteld. Het bestemmingsplan gaat over de eerste fase van een grootschalige herontwikkeling van een deel van de Drevenbuurt, die tot stand is gekomen in de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog. Het plangebied ligt in het stadsdeel Escamp (Den Haag Zuidwest), binnen de wijk Bouwlust-Vrederust, waar de naoorlogse wederopbouwarchitectuur beeldbepalend en kenmerkend is. Het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het aantal woningen van 139 naar 266. 64 woningen worden gesloopt, 75 woningen worden gerenoveerd en 191 woningen worden nieuw gebouwd. Van het totaalaantal woningen wordt ongeveer 72% in de sociale sector uitgevoerd. Daarnaast bestaat 18% van de te realiseren woningen uit betaalbare koopappartementen. Vereniging Vrienden van Den Haag en andere kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan, vooral omdat dit volgens hen ten koste gaat van de cultuurhistorische waarden van het gebied.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4473
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202501099/1/R3

202501614/1/A3

Bij besluit van 24 mei 2023 heeft de burgemeester van Amsterdam naar aanleiding van een verzoek van de stichting en [appellant] op grond van de Wet open overheid documenten openbaar gemaakt. De stichting heeft als doel het verkrijgen, in stand houden en onderhouden van monumenten in de zin van de Monumentenwet. [appellant] is bestuurslid van de stichting. De stichting en [appellant] hebben op 25 januari 2023 verzocht om openbaarmaking van informatie over een spreekuur dat vanaf 2019 in verschillende stadsdelen van de gemeente Amsterdam wordt gehouden om meer in contact te komen met Amsterdammers. De stichting en [appellant] willen - kortgezegd - informatie over de reden voor het instellen van het spreekuur, de wijze waarop het spreekuur wordt georganiseerd, de onderwerpen die sinds het instellen van het spreekuur zijn besproken en met hoeveel personen is gesproken. Ook willen de stichting en [appellant] weten welke medewerkers van de gemeente Amsterdam bij het spreekuur aanwezig zijn geweest en welke acties naar aanleiding van het spreekuur zijn genomen. De burgemeester heeft bij het besluit van 24 mei 2023 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4606
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202501614/1/A3

202501745/1/R3

Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem het wijzigingsplan "Zuiderbleek Lochem" gewijzigd vastgesteld. Het wijzigingsplan voorziet in de mogelijkheid om een appartementengebouw met maximaal 41 appartementen te realiseren op de percelen langs de Zuiderbleek in Lochem waar eerder een supermarkt was gevestigd. Het college heeft het wijzigingsplan vastgesteld met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 21.1.1, gelezen in samenhang met artikel 21.1.2 van de regels van het bestemmingsplan "Binnenstad Lochem", dat ziet op de herstructurering van dit plangebied. [appellant] woont aan de [locatie] in Lochem. Zijn perceel grenst aan de noordwestzijde van het wijzigingsplangebied. Hij vreest dat de ontwikkeling leidt tot een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4566
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202501745/1/R3

202501785/1/A3

Bij besluit, verzonden op 25 april 2023, heeft de burgemeester van Deventer aan [appellant] twee lasten onder dwangsom opgelegd. Op 20 februari 2023 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in het bedrijfspand aan de [locatie] in Deventer (het pand). Op 6 april 2023 heeft de burgemeester [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt om hem in verband daarmee op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang, strekkende tot tijdelijke sluiting van het pand, op te leggen. Inmiddels had de eigenaar van het pand de sloten van het pand vervangen, waardoor [appellant] geen toegang meer had. [appellant] is gelast om geen handelshoeveelheid van een middel als bedoeld in lijst I of lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf binnen het grondgebied van de gemeente te verkopen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, af te leveren, te verstrekken of aanwezig te hebben. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was de lasten op te leggen. Volgens hem biedt dat artikel alleen een grondslag voor de oplegging van maatregelen die op het pand zijn gericht en is daarvan in dit geval geen sprake.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4579
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202501785/1/A3

202501988/1/A2

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân het verzoek van De Appelhof om nadeelcompensatie afgewezen. De Appelhof B.V. is exploitant van de jongerencamping De Appelhof op Terschelling-Formerum. Het geschil ziet op de vraag of De Appelhof recht heeft op nadeelcompensatie voor de schade die voortvloeit uit omzetderving door de sluiting van de camping twee weken voor het einde van het hoofdseizoen in de zomer van 2020. De voorzitter heeft bij besluit van 14 augustus 2020 de camping De Appelhof aangewezen als locatie waar het aan een ieder verboden is om zich daar te bevinden en waar met onmiddellijke ingang geen nieuwe gasten worden toegelaten. Het verbod duurde van zondag 16 augustus 2020 om 12:00 uur tot dinsdag 1 september 2020 om 00:00 uur. De voorzitter heeft dit besluit op grond van artikel 2.5 van de Noodverordening COVID-19 Veiligheidsregio Fryslân van 10 augustus 2020 genomen. De Appelhof heeft de voorzitter verzocht om nadeelcompensatie. Door de gedwongen sluiting van de camping twee weken voor het einde van het hoofdseizoen heeft zij financiële schade geleden, omdat campinggasten moesten vertrekken en nieuwe campinggasten niet konden worden toegelaten. Het door De Appelhof gestelde nadeel bestaat uit misgelopen inkomsten uit de camping, de horecagelegenheden en de merchandise. De schade is door een boekhouder van De Appelhof begroot op € 136.000.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4565
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202501988/1/A2

202502205/1/A2

Bij besluit van 20 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [wederpartij] om een woningvormingsvergunning afgewezen. [wederpartij] en zijn partner hebben in 2012 de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2], gelegen in de Visserijbuurt van Den Haag, samengevoegd. De samengevoegde woning heeft een totale gebruiksoppervlakte van 483 m2. [wederpartij] wil de woning verkopen. De woning is in ongesplitste staat volgens hem onverkoopbaar. [wederpartij] wil de woning daarom eerst weer splitsen in twee woningen. Hij heeft daartoe een aanvraag om een woningvormingsvergunning gedaan. Op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 geldt onder meer in de Visserijbuurt een verbod op woningvorming, wat betekent dat het college de aanvraag in beginsel moet afwijzen. Het college heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen, als bedoeld in artikel 7:3 van de Huisvestingsverordening. Het college heeft ten behoeve van de evenwichtige woonvoorraad het belang van het behoud van de grotere woning zwaarder laten wegen dan het belang van [wederpartij] bij splitsing in twee kleinere woningen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4585
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502205/1/A2

202502206/1/A3

Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de korpschef van politie de toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, ingetrokken. [appellant] werkt 35 jaar als beveiligingsmedewerker. Hij had van de korpschef sinds 19 juli 2021 toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr om voor SA-INT Security B.V. beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Op 5 augustus 2023 heeft een incident plaatsgevonden tussen [appellant] en een bezoeker van café ’t Neutje in Hengelo, waar [appellant] werkzaam was. Er zijn hiervan beelden door cameratoezicht opgenomen en er zijn drie processen-verbaal opgemaakt, van 3 november 2023, 9 november 2023 en 12 april 2024. De korpschef stelt zich op het standpunt dat uit de camerabeelden en de processen-verbaal blijkt dat [appellant] disproportioneel geweld heeft gebruikt en daarom niet over de betrouwbaarheid beschikt die nodig is om als beveiliger te werken. Hij heeft daarom de toestemming ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4604
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Beveiligingswerkzaamheden
  • uitspraakin de zaak202502206/1/A3

202502630/1/A2

Bij besluit van 16 augustus 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) het verzoek van [appellant] om een eerdere weigering van een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) te herzien afgewezen. [appellant] heeft op 27 juli 2021 een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij op 29 december 2020 met een hondenriem is mishandeld door zijn buurman en daaraan letsel heeft overgehouden. De CSG heeft op 7 maart 2022, gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2022, geweigerd om aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds toe te kennen. De reden hiervoor is dat [appellant] aan de mishandeling geen ernstig fysiek of psychisch letsel heeft overgehouden. [appellant] heeft op 19 april 2023 de CSG verzocht om de hiervoor aangehaalde weigering van de uitkering uit het Schadefonds te herzien. Daarbij heeft hij nieuwe medische informatie van neuroloog J. Hoff van 6 april 2023 overgelegd. De CSG heeft op 16 augustus 2023 het herzieningsverzoek afgewezen, omdat het letsel niet als ernstig kan worden aangemerkt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4573
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202502630/1/A2

202502945/1/A2

Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de kosten van het meevoeren, opslaan en afvoeren van de inboedel van de ontruimde woning aan de [locatie] in Amsterdam verhaald op [appellanten]. [appellanten] waren eigenaar van de woning aan de [locatie] in Amsterdam. Zij verhuurden de woning aan [persoon]. Door een huurachterstand is de woning op 30 november 2022 in opdracht van [appellanten] ontruimd. Na de ontruiming is de inboedel van [persoon] op straat achtergelaten. Het college heeft De Combinatie Amsterdam opdracht gegeven de inboedel mee te voeren en op te slaan. Het afval is naar de stort afgevoerd. In mei 2023 heeft het college aan de verhuurmakelaar van [appellanten] een factuur gestuurd voor betaling van de in verband met de ontruiming gemaakte kosten voor transport, opslag en stort. De totale kosten bedragen € 5.157,07. [appellanten] hebben bezwaar gemaakt tegen de factuur. Naar aanleiding daarvan heeft het college het bedrag verlaagd naar € 3.507,07. [appellanten] hebben te kennen gegeven het niet eens te zijn met dit besluit. Het college heeft vervolgens in oktober 2023 het bedrag nog eens gewijzigd en vastgesteld op € 3.160,57.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4610
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202502945/1/A2

202503136/1/R3

Bij besluit van 20 maart 2025 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Middelland-Het Nieuwe Westen" vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de wijken Middelland en Het Nieuwe Westen in Rotterdam. Het bestemmingsplan is in hoofdzaak een actualisatie van het vorige bestemmingsplan. Hierbij gaat in het nieuwe plan extra aandacht uit naar de bescherming van het rijksbeschermd stadsgezicht. De grens van het bestemmingsplan loopt in het zuidoosten langs de Heemraadssingel tot de kruising met de Rochussenstraat, langs de Vliegerstraat tot de kruising met de Claes de Vrieselaan. De stichting en een aantal bewoners zijn het niet eens met die planbegrenzing. De doelstelling van de stichting is het in stand houden en verbeteren van het woon-, werk-, leef- en verblijfsklimaat aan de Mathenesserlaan, de Heemraadssingel en het Heemraadsplein en de onmiddellijke omgeving hiervan in Rotterdam. De bewoners die beroep hebben ingesteld wonen allemaal in het zogenoemde ‘HeRo-blok’, gelegen in de oostelijke hoek van de Heemraadssingel en de Rochussenstraat. Volgens de stichting en anderen maakt het HeRo-blok ten onrechte geen onderdeel uit van het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4572
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202503136/1/R3

202503697/1/A2

Bij besluit van 28 augustus 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) van € 2.500 toegekend. [appellant] heeft op 16 mei 2024 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij aan een mishandeling ernstig fysiek letsel heeft overgehouden. De CSG heeft op 28 augustus 2024, gehandhaafd bij besluit van 4 november 2024, een uitkering ter hoogte van € 2.500 toegekend. Dit bedrag hoort bij letselcategorie 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is ontstaan als gevolg van het geweldsmisdrijf waar de aanvraag betrekking op heeft en dat hij op basis van deze aanvraag eigenlijk in het geheel niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4598
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202503697/1/A2

202503701/1/A3

Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat de bestuurderskaart van [appellant] ingetrokken. Tijdens een controle van de rij- en rusttijden van een werknemer van het bedrijf van [appellant] is gebleken dat op 3 en 6 oktober 2023 een snelle bestuurderskaartwissel heeft plaatsgevonden met de kaart van de werknemer en de kaart van [appellant]. In het door de verbalisanten op ambtsbelofte, dan wel ambtseed opgestelde boeterapport staat dat uit tachograafgegevens onder meer het volgende is gebleken. Tijdens de kaartwissel op 3 oktober 2023 werd om 00:07 uur de kaart van [appellant] uitgenomen en die van de werknemer ingevoerd en de landcode werd gewijzigd naar Duitsland. Op 4, 5 en 6 oktober 2023 werd door de werknemer in Duitsland gereden. Op 6 oktober 2023 vond na een rit van 9 uur en 4 minuten weer een kaartwissel plaats, waarbij de kaart van de werknemer werd uitgenomen, die van [appellant] werd ingevoerd en de landcode werd gewijzigd naar Nederland. Daarna werd nog 53 minuten en 63 kilometer gereden. Ook staat in het boeterapport dat de werknemer heeft verklaard dat hij op 6 oktober 2023 het laatste stukje van zijn rit in Nederland op de kaart van zijn werkgever, [appellant], heeft gereden, omdat hij niet veel rijtijd meer over had en graag naar huis wilde op de vrijdagavond voor zijn vrije weekend. Nadat de verbalisanten hebben laten weten dat fraude is gepleegd met de bestuurderskaart van [appellant] omdat door een andere chauffeur van deze kaart gebruik is gemaakt, heeft de minister besloten om de bestuurderskaart in te trekken. In bezwaar is hij hierbij gebleven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4597
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202503701/1/A3

202504018/1/A2

Bij besluit van 10 februari 2022 heeft de raad van de gemeente Den Haag de aanwijzing van De Dreven tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht ingetrokken. Deze uitspraak gaat over de Drevenbuurt in de wijk Bouwlust-Vrederust van het stadsdeel Escamp in Den Haag. Een gedeelte van de Drevenbuurt is sinds 2004 aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht (De Dreven). Deze buurt is kenmerkend voor naoorlogse uitbreidingswijken en heeft vanwege zijn oorspronkelijke karakter en bijzondere verkaveling cultuurhistorische waarde. Binnen de Drevenbuurt zijn er volgens de raad echter grote sociaal-maatschappelijke problemen en liggen er opgaven in het kader van volkshuisvesting en verduurzaming. Met een meer gedifferentieerde en toekomstbestendige woningvoorraad beoogt de raad de neerwaartse spiraal te keren waar de buurt qua leerbaarheid in is geraakt. Omdat deze gewenste woningdifferentiatie en uitbreiding van het huidige sociale huurprogramma volgens de raad niet mogelijk is binnen de kaders van het beschermd stadsgezicht, heeft hij besloten de aanwijzing van De Dreven tot beschermd stadsgezicht in te trekken. De Vereniging Vrienden van Den Haag en anderen zijn het hiermee niet eens en willen dat het beschermd stadsgezicht behouden blijft.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4474
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Monumenten
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202504018/1/A2

202504110/1/A3

Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd. Tijdens een controle van het binnenschip [naam schip] op 2 februari 2023 hebben toezichthouders diverse overtredingen geconstateerd. Deze zijn neergelegd in een door hun op ambtseed opgemaakt boeterapport. In de besluitvorming heeft de minister aan [appellant], als schipper/gezagvoerder van het schip, een boete van in totaal € 2.230,00 opgelegd wegens zeven overtredingen ten aanzien van het vaartijdenboek. De overtredingen betreffen voor 1 februari 2023 het niet juist invullen van de tijden waarop de bemanning aan boord komt, het niet juist invullen van de kolommen van het begin van de vaart en het niet juist invullen van de exploitatiewijze. Ten aanzien van 2 februari 2023 gaat het om het niet aanwezig hebben van het vaartijdenboek in de stuurhut, het niet juist invullen van de kolommen van het begin en van het einde van de vaart en het niet juist invullen van de kolommen ten aanzien van de rusttijden van de bemanning. De rechtbank heeft overwogen dat de minister deze overtredingen terecht heeft vastgesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4592
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202504110/1/A3

202504160/1/A2

Bij besluit van 24 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan [appellant] een bestuurlijke boete van € 4.000,00 opgelegd. Ook is het college overgegaan tot invordering van deze boete. [appellant] stond sinds 8 februari 2023 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het adres [locatie] in Tilburg. Op 29 maart 2023 constateerde een toezichthouder van de gemeente Tilburg dat er in de woning een hennepkwekerij aanwezig was. De woonkamer was opgesplitst in twee delen waarin kweekappartuur en materialen werden aangetroffen. Een deel van de woning was daardoor niet meer geschikt voor bewoning. Het college heeft [appellant] bij besluit van 24 november 2023 een bestuurlijke boete opgelegd van € 4.000,00 voor het bedrijfsmatig onttrekken van woonruimte zonder vergunning. Ook heeft het college beslist tot invordering van deze boete.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4595
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202504160/1/A2

202504371/2/A3

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2025 in zaak nr. 25/3876. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Het gaat om stukken die ten grondslag liggen aan een besluit van de minister op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt). Volgens [appellant] is het verzoek om beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd, omdat - kortgezegd - geen sprake is van een eerlijk proces. Hij verzoekt daarom ook primair het verzoek om beperkte kennisneming af te wijzen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4646
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202504371/2/A3

202505420/1/A2

Bij besluit van 17 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen een verzoek van [appellant] om terug te komen van een besluit van 5 augustus 2019, waarbij hij is toegelaten tot de schuldhulpverlening, afgewezen. Bij besluit van 5 augustus 2019 heeft het college een aanvraag van [appellant] om toelating tot schuldhulpverlening ingewilligd. Op 4 september 2019 heeft [appellant] verzocht om intrekking van de schuldhulpverlening. Bij brief van 12 september 2019 heeft het college de intrekking bevestigd en de schuldhulpverlening beëindigd. Op 24 september 2020 heeft [appellant] opnieuw een aanvraag om toelating tot schuldhulpverlening ingediend. Het college heeft deze aanvraag ingewilligd. Bij brief van 25 januari 2021 heeft [appellant] het college verzocht om herziening van het besluit van 5 augustus 2019. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4581
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202505420/1/A2

202506108/1/A2

Bij beslissing van 5 augustus 2025 heeft de examencommissie Data Science and Artificial Intelligence aan [appellant] een bindend negatief studieadvies (BNSA) gegeven voor de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence. Bij beslissing van 26 november 2025 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE) het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] heeft in het studiejaar 2024-2025 de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence gevolgd. De norm voor een positief bindend studieadvies voor deze opleiding is 45 studiepunten. De examencommissie heeft aan de beslissing van 5 augustus 2025 ten grondslag gelegd dat [appellant] slechts 6 studiepunten heeft gehaald in zijn eerste jaar van de bacheloropleiding en dat zij [appellant] daarom niet geschikt acht voor de opleiding.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4594
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202506108/1/A2

202506110/1/A2

Bij beslissing van 19 augustus 2025 is aan [appellant] meegedeeld dat aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt gemeld dat hij gedurende het studiejaar 2024-2025 niet heeft voldaan aan de studievoortgangseis en dat niet is gebleken van een hiervoor bestaande verschoonbare reden. Bij beslissing van 26 november 2025 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE) het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] heeft in het studiejaar 2024-2025 de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence gevolgd. Aan de beslissing van 19 augustus 2025 is ten grondslag gelegd dat [appellant] een verblijfsvergunning voor studie heeft, dat hij daarom ieder studiejaar moet voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de MoMi-norm), dat deze norm gelijk is aan 50% van het in dat jaar te halen aantal studiepunten, dat [appellant] deze norm niet heeft gehaald en dat de onvoldoende studievoortgang niet is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden. De universiteit zal daarom bij de IND melden dat [appellant] de MoMi-norm niet heeft gehaald.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4512
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202506110/1/A2

202600112/1/A2

Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) de aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) afgewezen. [appellant] heeft op 10 maart 2023 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij is mishandeld en daardoor ernstig letsel heeft bekomen. De CSG heeft op 12 oktober 2023, gehandhaafd bij besluit van 12 april 2024, geweigerd aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds toe te kennen. Volgens de CSG heeft [appellant] een eigen aandeel gehad in het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf waarvan hij slachtoffer is geworden, doordat hij als eerste een duw gaf aan de partner van de dader. Verder vindt zij dat het geweld dat tegen hem is gebruikt in verhouding staat tot hetgeen hem te verwijten valt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4571
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202600112/1/A2

202600857/1/A2

Bij beslissing van 21 mei 2025 heeft de examencommissie academie, business en communicatie aan [appellante] medegedeeld dat zij geen verlenging krijgt voor de deadline van haar afstudeeropdracht en daardoor moet stoppen met deze opdracht. Bij beslissing van 26 januari 2026 heeft het college van beroep voor de examens van Hogeschool Arnhem en Nijmegen het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het onderdeel Uitvoering van de afstudeeropdracht en ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het onderdeel Advisering. [appellante] volgt de bacheloropleiding Ondernemerschap & Retailmanagement aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. [appellante] heeft een chronische aandoening, waardoor zij verminderd belastbaar is. In september 2023 is zij gestart met het afstudeertraject. Zij is begonnen met het uitvoerend project van het afstudeertraject. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden mocht [appellante] in het studiejaar 2024-2025 doorgaan met dit project. In april/mei 2024 is zij ook aan het adviserend project van dit afstudeertraject begonnen. [appellante] heeft door haar aandoening in een aangepast tempo aan de projecten gewerkt. In januari 2025 viel zij door haar aandoening uit en had zij enige tijd nodig om te herstellen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4590
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600857/1/A2

202601207/1/A2

Bij beslissing van 30 juni 2026 heeft de examinator het door [appellant] gemaakte tentamen Analyseren in het bestuursprocesrecht (WFREC.BPR.01) met het cijfer 6,6 beoordeeld. Bij beslissing van 28 januari 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Windesheim het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] volgt de bacheloropleiding HBO rechten aan de Christelijke Hogeschool Windesheim. Op 3 juni 2025 heeft hij het tentamen Analyseren in het bestuursprocesrecht (WFREC.BPR.01) afgelegd. [appellant] had bij wijze van voorziening vanwege zijn dyslexie recht op 30 minuten extra tijd bij het afleggen van tentamens. Hierdoor had hij 210 minuten in plaats van 180 minuten de tijd om het tentamen af te leggen. Bovendien heeft hij vanwege zijn dyslexie ook een papieren versie van het tentamen gekregen, dat digitaal wordt afgenomen. Op het moment dat de surveillant tijdens het tentamen aangaf dat [appellant] volgens de wandklok om 20:30 uur moest stoppen, ontstond verwarring. [appellant] meende dat hij tot 20:40 uur de tijd had, aangezien het digitale toetssysteem (ANS) deze eindtijd aangaf. Na enige discussie heeft [appellant] alsnog de instructie van de surveillant opgevolgd. Het tentamen is definitief beoordeeld met het cijfer 6,6.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4570
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601207/1/A2

202601395/1/A2

Bij beslissing van 2 december 2025 heeft de examinator aan [appellant] voor het vak Duurzaamheid (3012DZH1VY) het resultaat NAV (niet aan verplichtingen voldaan) toegekend. Bij beslissing van 24 maart 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] volgt de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. In het voorjaarsemester van studiejaar 2024-2025 heeft hij deelgenomen aan het vak Amsterdam Law Firm 2.2 (ALF 2.2). [appellant] heeft twee onderdelen van dit vak, namelijk ‘mondeling communiceren’ en ‘juridisch onderzoek doen’, niet behaald. Het voldoen aan alle toetsonderdelen van ALF 2.2 is voorwaarde om voor het vak Duurzaamheid 6 EC toegekend te kunnen krijgen. De registraties van de in het voorjaar behaalde resultaten zijn pas op 2 december 2025 in het cijfersysteem verwerkt. Het is voor [appellant] op dat moment pas duidelijk geworden dat hij voor het vak Duurzaamheid als resultaat NAV heeft gekregen waarmee de toekenning van studiepunten voor dat vak is komen te vervallen. [appellant] vindt het merkwaardig dat na vijf maanden het resultaat van het vak Duurzaamheid ten nadele van een student kan worden aangepast en heeft daarom administratief beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4603
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601395/1/A2

202601890/1/A2

Bij beslissing van 16 april 2026 heeft het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam aan [appellante] rangnummer 433 toegekend voor de bacheloropleiding Geneeskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam in het studiejaar 2026-2027. [appellante] heeft deelgenomen aan de decentrale selectie voor toelating tot de bacheloropleiding Geneeskunde in studiejaar 2026-2027. Zij heeft het rangnummer 433 toegekend gekregen. Zij is daarmee niet toegelaten tot de opleiding, die 342 plaatsen beschikbaar heeft. [appellante] heeft bij haar portfolio een cijferlijst meegestuurd van de bacheloropleiding farmaceutische wetenschappen (hierna: de cijferlijst). Deze cijferlijst is bij de beoordeling afgekeurd, omdat het geen gewaarmerkte cijferlijst betreft, zoals is beschreven op pagina 15 van het handboek selectieprocedure geneeskunde 2026 van de faculteit der Geneeskunde van de VU (handboek).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4582
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601890/1/A2

202601921/1/A2

Bij beslissing van 24 februari 2026 heeft het college van bestuur van de Universiteit Leiden bepaald dat [appellant] niet mag deelnemen aan de tweede ronde van de selectieprocedure voor de bacheloropleiding Geneeskunde (opleiding). [appellant] heeft op 13 februari 2026 deelgenomen aan de eerste ronde van de decentrale selectie voor de opleiding. Voor deze ronde moesten kandidaten twee tests afleggen: een studievaardighedentest en een capaciteitentest. Wegens een technisch probleem met de geluidsinstallatie in de zaal, waardoor het niet mogelijk was om de mondelinge instructie over de tests ineens in de gehele zaal te geven, is die instructie zonder versterking achtereenvolgens steeds voor een aantal rijen gegeven. Bij deze mondelinge instructie is onder meer gezegd dat kandidaten geen puntenaftrek voor foute antwoorden krijgen. Het CvB heeft aan de beslissing van 18 mei 2026 onder meer het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] is op basis van zijn score voor de capaciteitentest niet toegelaten tot de tweede selectieronde.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4580
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601921/1/A2

202504773/1/V2

Bij besluit van 17 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 19 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Gavami, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4535
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202504773/1/V2

202600678/2/R1

Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem geweigerd aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning te verlenen voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. [appellant sub 2] wil een winkelruimte op de begane grond en een bovenwoning verbouwen tot twee eengezinswoningen met een dakopbouw en twee dakterrassen op de [locatie A] en [locatie B] in Haarlem. Daarvoor heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd bij het college. Het college heeft met de besluiten van 21 mei 2024 en 18 maart 2025 de vergunning geweigerd op de grond dat de aanvraag in strijd is met de geldende parkeernormen. [appellant sub 2] heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 7 april 2026 wordt geschorst en het college wordt opgedragen de omgevingsvergunning te verlenen dan wel dat hij mag handelen als ware de vergunning is verleend, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4541
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202600678/2/R1

202602238/2/A2

Bij besluit van 21 april 2026 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de bekostiging van de basisschool Treehouse Montessori (de school) met ingang van 1 augustus 2026 beëindigd. Stichting Tree of Infinity is het bevoegd gezag van de school, die sinds 1 augustus 2022 wordt bekostigd als bijzondere basisschool. Op de school krijgen leerlingen tweetalig montessorionderwijs. Op 10 december 2025 heeft de staatssecretaris de stichting laten weten dat de school onvoldoende leerlingen heeft en dat de bekostiging daarom per 1 augustus 2026 stopt, tenzij de stichting een geslaagd beroep kan doen op een van de uitzonderingsbepalingen. Hierop heeft de stichting een aanvraag gedaan om de bekostiging door te laten lopen op grond van artikel 145 van de Wet op het primair onderwijs (WPO). Bij besluit van 21 april 2026 heeft de staatssecretaris de aanvraag afgewezen en dit besluit heeft zij in bezwaar gehandhaafd. Dit betekent dat de bekostiging van de school per 1 augustus 2026 stopt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4542
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202602238/2/A2

BRS.25.000504

Bij besluit van 9 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4518
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000504

BRS.25.002717

De minister van Asiel en Migratie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.21827. Verzoeker heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Verzoeker heeft op verzoek van de Afdeling daarop gereageerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4519
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002717

BRS.26.003613 en BRS.26.003614

Bij besluit van 13 april 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 14 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4475
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003613 en BRS.26.003614

BRS.26.003818

Bij besluiten van 9 april 2026 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 21 juli 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4531
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003818

BRS.26.003991

Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister van Asiel en MIgratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4549
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003991

BRS.26.004018

Bij besluit van 28 mei 2026 heeft de minister een van Asiel en Migratie aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4562
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004018

202406014/1/V1

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hoger beroepen ingesteld. Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van appellant 1 ingewilligd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4510
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202406014/1/V1

BRS.25.000128

Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 17 januari 2025 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4507
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000128

BRS.26.002482

Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4502
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002482

BRS.26.002976

Bij besluit van 20 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 10 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4482
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002976

BRS.26.003047

Bij besluit van 3 juni 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 19 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4468
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003047

BRS.26.003481

Bij besluit van 20 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4497
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003481

BRS.26.003543 en BRS.26.003544

Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4491
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003543 en BRS.26.003544

BRS.26.003588

Bij besluit van 7 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 19 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4493
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003588

BRS.26.003602

Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4490
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003602

BRS.26.003611

Bij besluit van 19 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4492
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003611

BRS.26.003625

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep, geregistreerd onder NL26.9879, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4478
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003625

202403774/1/V3

Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 april 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek van betrokkene om heroverweging van het terugkeerbesluit en verwijdering van de signalering uit het SIS afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4454
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaak202403774/1/V3

202503738/7/A2

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen inhoudende dat alle lopende beslagen en executiemaatregelen die tegen hem zijn genomen per direct worden geschorst. [verzoeker] ontvangt een WIA-uitkering. Op deze uitkering heeft een gerechtsdeurwaarder beslag laten leggen. Deze gerechtsdeurwaarder treedt volgens [verzoeker] op als coördinerende gerechtsdeurwaarder namens verschillende schuldeisers. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het ontbreekt aan een grondslag voor een groot deel van de vorderingen en er onvoldoende overzicht van alle schulden bestaat. Hierdoor komt zijn bestaanszekerheid in gevaar.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4477
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202503738/7/A2

202503807/1/V3

Bij besluit van 7 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4511
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaak202503807/1/V3

BRS.25.000833

De minister van Asiel en Migratie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 juni 2025 in zaak nr. NL25.7050, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278. Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat in Tilburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4471
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000833

BRS.26.000333

Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4392
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000333

BRS.26.002068

Bij besluit van 11 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 17 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4458
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002068

BRS.26.003156

Bij besluit van 5 september 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 28 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4466
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003156

BRS.26.003323

Bij besluit van 9 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4459
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003323

BRS.26.003493

Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4461
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003493

BRS.26.003636

Bij besluit van 8 april 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep van verzoeker gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4388
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003636

BRS.26.003839

Bij besluit van 12 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 30 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4467
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003839

BRS.26.003897

Bij besluit van 9 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 6 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4509
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003897

BRS.26.003945

Bij besluit van 18 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4520
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003945

BRS.26.003952

Bij besluiten van 16 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hen verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4522
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003952

BRS.26.003953

Bij besluit van 5 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4523
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003953

BRS.26.003439

Bij brief van 5 februari 2024 heeft de minister appellant meegedeeld dat de rechten van de Richtlijn tijdelijke bescherming voor hem op 4 maart 2024 stoppen. Bij besluit van 11 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4469
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003439

202601682/1/R4

Bij besluit van 7 mei 2026 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het verzoek om handhaving van LIMM afgewezen. LIMM is een producent van duurzame papieren drinkbekers voor eenmalig gebruik. Zij heeft op 1 en 2 april 2026 proefpakketten drinkbekers aangeboden aan de staatssecretaris. Hierbij heeft zij de staatssecretaris verzocht om handhavend op te treden tegen het op de markt brengen van drinkbekers van LIMM die mogelijk plastic bevatten, maar desondanks niet zijn voorzien van een verplichte markering op grond van artikel 15e van het Besluit beheer verpakkingen 2014 (het Besluit beheer verpakkingen). Het doel van het verzoek is om van de staatssecretaris een besluit uit te lokken om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of zij op grond van artikel 15e van het Besluit beheer verpakkingen haar drinkbekers moet voorzien van markeringen. LIMM heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op het verzoek om handhaving en daarbij inhoudelijk beoordeelt of LIMM een overtreding heeft begaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4476
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202601682/1/R4

BRS.25.001028

Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2025 in zaak nr. NL25.23233. De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij verzoeker opgekomen proceskosten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4369
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001028

BRS.26.001490

Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4383
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001490

BRS.26.001762

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 1 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4377
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001762

BRS.26.002314

Bij besluit van 20 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4381
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002314

BRS.26.002934

Bij besluit van 22 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4385
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002934

BRS.26.003316

Bij besluit van 3 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4376
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003316

BRS.26.003394

Bij besluit van 31 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4379
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003394

BRS.26.003603

Bij besluit van 19 juli 2023 en heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4384
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003603

BRS.26.003607

Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister van Asiel wn Migratie een aanvraag van betrokkene om verlenging van haar verblijfsdocument EU/EER, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4370
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003607

BRS.26.003739

Bij besluit van 29 mei 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven voor zover het gaat over de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4506
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003739

BRS.26.003853

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4457
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003853

202302722/2/A3

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 20/1242. De korpschef van politie heeft de vertrouwelijke versie van twee gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken. Het betreft een vertrouwelijke toelichting op de aanvullende motivering en een aanvullende motivering van het besluit. [appellant] heeft de korpschef verzocht om inzage in zijn gegevens. In het bijzonder wil [appellant] weten of zijn gegevens zijn opgenomen in het Schengen Informatiesysteem II of voorkomen in het Opsporingssysteem. De korpschef heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de korpschef dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank. De korpschef heeft de documenten waar de gegevens in staan met een nadere motivering aan de Afdeling toegestuurd. Voor de documenten met gegevens die [appellant] wil inzien, gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4389
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger beroep
  • Politiegegevens
  • uitspraakin de zaak202302722/2/A3

202302723/2/A3

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 20/1241. [appellant] heeft de korpschef verzocht om inzage in zijn gegevens. De korpschef heeft dat verzoek afgewezen. In het bijzonder wil [appellant] weten of zijn gegevens zijn opgenomen in het Schengen Informatiesysteem II of voorkomen in het Opsporingssysteem. De korpschef heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de korpschef dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank. De korpschef heeft de documenten waar de gegevens in staan met een nadere motivering aan de Afdeling toegestuurd. Voor de documenten met gegevens die [appellant] wil inzien, gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4390
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger beroep
  • Politiegegevens
  • uitspraakin de zaak202302723/2/A3

202302725/2/A3

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 22/1097. De minister voor Rechtsbescherming heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. Het betreft een advies van het Openbaar Ministerie. [appellant] heeft de minister verzocht om openbaarmaking van een aantal documenten over de landsadvocaat. De minister heeft dat verzoek afgewezen vanwege de veiligheid van de staat en omdat openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank heeft overwogen dat de minister dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank. De minister heeft de documenten waarop het verzoek van [appellant] ziet aan de Afdeling toegestuurd. Voor deze documenten gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4391
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202302725/2/A3

BRS.25.001581

Bij besluit van 15 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4375
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001581

BRS.26.002930

Bij besluit van 3 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4352
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002930

BRS.26.002994

Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4337
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002994

BRS.26.003079

Bij besluit van 27 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4346
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003079

BRS.26.003504

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4347
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003504

BRS.26.003508

Bij besluit van 10 september 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4348
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003508

BRS.26.003515

Bij besluit van 15 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4349
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003515

BRS.26.003554

Bij besluit van 10 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4362
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003554

BRS.26.003561

Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4365
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003561

BRS.26.003619

Bij besluit van 7 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4363
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003619

BRS.26.003651

Bij besluit van 17 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en een verzoek van verzoeker om bestuurlijke heroverweging van de besluiten over zijn zes eerdere asielaanvragen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4361
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003651

BRS.26.003734

Bij besluit van 9 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4356
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003734

BRS.26.003817

Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 20 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4462
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003817

BRS.26.003856

Bij besluit van 3 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4378
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003856

BRS.26.003879

Bij besluit van 9 juni 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 28 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Verzoeker heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bij de minister bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overdracht op 30 juli 2026 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek op 28 juli 2026 ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4464
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003879

BRS.26.003895

Bij besluit van 24 september 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 16 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4465
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003895
vorige pagina123...1.260volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon