Weerbare democratie, weerbare overheid
Inleiding van Thom de Graaf, vice-president van de Raad van State voor de Koninklijke Industrieele Groote Club in Amsterdam op 10 september 2025.
Historicus Beatrice de Graaf houdt regelmatig lezingen over weerbaarheid. Van haar leerde ik dat het begrip weerbaarheid een lange historische traditie kent, terug te voeren tot de vroege middeleeuwen. Weerbaarheid had vooral een connotatie van burgerschap. Je telde pas mee als echte burger als je in staat was jezelf, je goederen, je familie en je buurt of gemeenschap mee te beschermen. Tegen brand, tegen invallen en aanvallen. De Nachtwacht, de compagnie van Frans Bannink Cocq, is een mooi voorbeeld van weerbaarheidsgroepen in de 17de eeuw, en her en der kennen we nog de folkloristische ‘studentenweerbaarheid’. Weerbaar is dus in de eerste plaats een concept van een samenleving die zichzelf organiseert en verdedigt.
De natiestaat heeft een deel van die weerbaarheid (‘teweerstelling’) van de burgers overgenomen, met nationale en zelfs internationale legers, politieorganisatie, zelfs nationale brandweer (vanouds een lokale kwestie), cybersecurity centers, NCTV en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De weerbaarheid van de samenleving en van burgers zelf zijn we enigszins vergeten. De organisatie BB (‘Bescherming Bevolking’) uit de jaren 50 en 60 zagen we toch vooral een relict uit de Koude Oorlog. Weerbaar is niettemin ook vandaag de dag synoniem aan standvastig, robuust bestand tegen interne en externe dreigingen. Niet alleen door een driedagenpakket in de kelder, maar ook door onderdeel te zijn van een weerbare samenleving.
Deze avond gaat over de weerbare democratie en ik mag iets vertellen over de weerbare overheid, de weerbare staat, al is dat in zekere zin een tautologie: de overheid kan immers alleen maar weerbaar zijn, in de zin van een schild vormen, een hoeder zijn, anders zou zij geen overheid kunnen zijn. Ik zal kort iets zeggen over de potentiële en aanwezige bedreigingen van onze democratie en hoe onze overheid zich daartegen wapent en kan wapenen, wat nog niet zo makkelijk is. Vooral niet omdat die bedreigingen van vele kanten komen. Er is ook geen strikt onderscheid te maken tussen wat de overheid en wat de samenleving kan doen om weerbaarder te worden tegen die bedreigingen. De samenleving bepaalt immers in niet geringe mate de koers van de overheid en de overheid kan voor een weerbare democratie niet zonder de samenleving.
Mijn eerste stelling luidt: democratie is in zichzelf een kwetsbaar concept, dat het moet hebben van waarden die in de samenleving worden gedragen. De overheid kan de democratie niet beschermen als die waarden niet meer worden gevoeld en nageleefd. Een weerbare democratie bestaat niet zonder een weerbare samenleving die een weerbare overheid schraagt.
Mijn tweede stelling: het gaat niet in de eerste plaats om de parlementaire of formele democratie zoals wij die nu kennen, maar om de waarden daarachter; die waarden behoeven bescherming: zelfbepaling van mensen, vrijheid zowel individueel als collectief, emancipatie van burgers van knellende banden van overheidsdominantie, legitimiteit van overheidshandelen door de instemming of goedkeuring van de burgers te vragen en te krijgen, het bijdragen van burgers aan de gemeenschappelijke zaak, de res publica. Die essentiële waarden van democratie moeten worden geborgd, niet per se de vormen waarin we die gegoten hebben, zoals bijvoorbeeld het tweekamerstelsel, de benoemde of gekozen burgemeester of de constitutionele monarchie. De kern van onze democratie vormen het recht om te kiezen wie namens jou spreekt en besluit en het recht om zelf gekozen te worden.
Democratie is niet hetzelfde als rechtsstaat, maar kan niet zonder bestaan. Zij zijn niet los verkrijgbaar, daarom spreken we ook over de democratische rechtsstaat. Een volwaardige of liberale democratie gaat daarom uit van de scheiding en een evenwicht van machten en de onafhankelijke rol van de rechter die overheidsbesluiten toetst. De rechter is niet een verlengstuk van politieke besluitvorming, maar een kritische onafhankelijke reflector en toetser die de grenzen aangeeft waarbinnen de wetgever en het overheidsbestuur zich mogen bewegen. Dat vraagt om een voortdurende en zorgvuldige dialoog.
Mijn derde stelling: democratie vraagt om betrokken burgers die bijdragen aan de meningsvorming, het publieke en politieke debat, het formuleren van argumenten en de feitenkennis waarop de argumenten gestoeld zijn. Een volwaardige democratie kan dus niet zonder betogingen, burgerinitiatieven, debatfora, onafhankelijke media, wetenschap, onderwijsinstellingen, adviesraden en NGO’s. Die dragen allemaal bij aan transparantie en verantwoording.
We spreken over weerbare democratie, weerbare staat en weerbare overheid, maar weerbaar waartegen precies? Ik geloof dat onze democratie krachtig is en tegen een stootje kan, maar dat het ook goed is ons te realiseren dat zelfs een krachtige democratie kwetsbaar kan zijn en nooit vanzelfsprekend is of is geweest. Bedreigingen komen van verschillende kanten: van binnenuit, van buitenaf, van onderop en van bovenaf. Druk van bovenaf ontstaat als de democratie niet op kan tegen de ambitie en de drive (en meedogenloosheid) van autocratisch leiderschap, zoals nu te zien is in de VS. Bange instituties en falende volksvertegenwoordigers waarbij moreel en rechtsstatelijk leiderschap ontbreekt, drijven de democratie af.
Druk van onderop kan daarmee samenhangen. Die druk komt van burgers zelf die hun vertrouwen in de werking van de politieke democratie dreigen te verliezen. Daar zijn vele verschillende redenen voor aan te wijzen. Het vertrouwen in de nationale politiek is de afgelopen jaren in rap tempo afgenomen, met als absoluut dieptepunt een peiling - het is maar een peiling, maar toch - na de desintegratie van het al demissionaire kabinet-Schoof waarin nog maar 4% van de ondervraagden vertrouwen had in de nationale politiek. Dat lijkt op een moedeloos geworden bevolking. Een duidelijk disfunctionele volksvertegenwoordiging die niet in staat is tot het vormen van stabiele meerderheden en stabiele kabinetten, een gebrek aan daadwerkelijk democratisch leiderschap, en een zichtbaar haperen van de overheidsdiensten die overvraagd worden en te complexe regelgeving moeten uitvoeren. De slagkracht van de overheid staat onder druk, niet in de laatste plaats omdat moderne politici het niet kunnen laten te veel te beloven wat ze niet kunnen waarmaken: overpromissing, underdelivering.
Ik zou ook kunnen wijzen op een ander punt: veel kiezers drijven af van het democratisch stelsel als zodanig omdat zij zichzelf buitenspel vinden staan. Dat kan het gevolg zijn van het ontbreken van serieus en weloverwogen debat in de volksvertegenwoordiging omdat de afspraken in een regeerakkoord al vaststaan, maar ook van het feit dat praktisch opgeleiden te weinig aansluiting vinden bij het door theoretisch of hoogopgeleiden gedomineerde bestel. Politieke partijen moeten zich daar rekenschap van geven. Bovendien: een volksvertegenwoordiging die nauwelijks geïnteresseerd is in zorgvuldige uitwisseling van argumenten en zoeken naar draagvlak, nodigt burgers niet uit om zich daarbij verbonden te voelen.
Druk van buitenaf komt niet alleen maar door de opzettelijke ondermijning van onze democratie door statelijke actoren (andere landen) en misbruik van digitale technologie (denk aan de TikTok-president van Roemenië), maar ook door gebrek aan adequate controle en regelgeving voor de Bigtech-bedrijven. Als politieke macht en technologische monopolies samengaan, is dat levensgevaarlijk. Dat moet grotendeels op Europees niveau plaatsvinden, maar gaat stap voor stap, langzaam dus.
Tot slot: druk van binnenuit. Dat is de democratische paradox die we kennen van de Weimarrepubliek: iedere democratie loopt het risico om ondergraven te worden door antidemocratische of autocratische krachten met behulp van de rechten en bevoegdheden die de democratie hun zelf heeft verschaft. Het recht van iedereen om te streven naar machtsvorming is de sterkste kant van de democratie maar ook de zwakste. Dat recht kan immers uiteindelijk leiden tot haar ondergang, een hostile takeover binnen het democratisch bestel. Het lijkt erop dat dit in de Verenigde Staten aan de gang is. Is dat in Nederland ook het geval? Nee, maar ik zeg er wel direct bij: ‘nog’ niet. Ik zie wel een paar zorgwekkende signalen.
Een daarvan is de spanning die radicale partijen proberen te creëren tussen de parlementaire democratie en de rechtsstaat. Die twee kunnen zonder elkaar niet bestaan, maar dat is kennelijk niet voor iedereen vanzelfsprekend. Politieke leiders die de legitimiteit van rechters aanvallen en de vraag openlijk stellen wie het hier eigenlijk voor het zeggen heeft: de meerderheid van de Kamer (ook als deze ongrondwettelijke wetgeving produceert) of de ‘ongekozen bureaucraten’ van rechtbanken of Raad van State. Politici die menen dat de rule of law ondergeschikt is aan de rule of majority; zij spelen een gevaarlijk en ondermijnend spel, hoeveel rechtsstaatsverklaringen zij in de toekomst ook ondertekenen. Hetzelfde geldt voor politici die na voor hen onwelgevallige adviezen of uitspraken (bijvoorbeeld over stikstof) pleiten voor meer politieke grip op benoemingen van onafhankelijke rechters en adviseurs.
De weerbare overheid of weerbare staat kent dus de nodige bedreigingen en risico’s, maar dat wil niet zeggen dat er niets tegen kan worden gedaan. Ik wees al op regulering en controle van digitale technologie, communicatie en de toepassing van kunstmatige intelligentie. Ik denk ook aan het actief tegengaan van grote tegenstellingen tussen opleidingsniveaus en de onderrepresentatie van praktisch opgeleiden, een meer bescheiden opstelling van de politiek en een realistisch perspectief op wat de overheid kan en wat zij niet kan, met een sterkere rol van de professionals en de diensten die te complexe wetgeving moeten uitvoeren.
Er zijn gelukkig in ons land de nodige waarborgen, safeguards, in onze constitutie ingebouwd om de democratische rechtsstaat te beschermen, met checks and balances tussen wetgever, rechter en bestuur en onafhankelijke instituties als de Nationale ombudsman, de Algemene Rekenkamer en de Raad van State. Ons kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging leidt weliswaar tot een zekere versplintering, maar voorkomt tegelijkertijd dat één partij er met de buit vandoor kan gaan. En we kennen geen éénhoofdig bestuur met almachtige bevoegdheden. Die constitutionele firewall kunnen we nog verder versterken, zoals het ook goed is dat er nu een Wet op de politieke partijen klaarligt met stevige transparantie-eisen, inclusief een mogelijk partijverbod.
Laat ik afsluiten met waarmee ik begon: een tegen democratische inbreuken weerbare staat kan niet zonder een weerbare samenleving. Kortom: een volwaardige parlementaire democratie heeft een volwaardige maatschappelijke democratie nodig als voedingsbodem, als brandstof én als kritische partner. Daar horen burgerberaden bij, wellicht referenda, actiegroepen, vrije en onafhankelijke media en veel tegenspraak. En kiezers die zich realiseren dat ons land en zij zelf gebaat zijn bij zorgvuldig bestuur, bescheiden beloften en stabiele politieke verhoudingen. Zij hebben eind oktober opnieuw een kans om zich daarvoor uit te spreken. Kortom, een weerbare samenleving.
